Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.2.3:7.2.2.3 Het verstrekken van nog steeds onjuiste of onvolledige informatie
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.2.3
7.2.2.3 Het verstrekken van nog steeds onjuiste of onvolledige informatie
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509873:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, r.o. 3.5.1 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Hierbij is van belang dat de aansprakelijkheid van de overheid berust op het wekken van het vertrouwen dat de burger juist werd geïnformeerd, en niet op het nalaten om die burger juist te informeren (paragraaf 2.2 en 4.7.5).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde mogelijke inkleuring van de hypothetische situatie zal in de praktijk zelden tot nooit voorkomen, en is daarmee voornamelijk theoretisch van aard. Het verstrekken van onjuiste informatie is uitsluitend onrechtmatig indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven (paragraaf 4.7.2 e.v.).1 Het enkele feit dat onjuiste inlichtingen worden verstrekt, is dus onvoldoende om die verstrekking als onrechtmatig aan te merken. Er is dan ook een rechtmatig alternatief mogelijk dat inhoudt dat onjuiste of onvolledige inlichtingen zouden zijn verstrekt op een niet onrechtmatige wijze.2 Hierbij gaat het dan om inlichtingen die, bijvoorbeeld in het licht van de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de overheid daaromtrent heeft moeten begrijpen, in objectieve zin juist en volledig zouden zijn geweest. Het is niet ondenkbaar dat dergelijke inlichtingen vanuit het subjectieve perspectief van de burger toch zouden zijn tekortgeschoten, in de zin dat ze voor die burger nog steeds onjuist of onvolledig zouden zijn geweest. Tegen het aannemen van een dergelijk alternatief zal veelal pleiten dat de onjuistheid of onvolledigheid van overheidsvoorlichting staat of valt met de zin die daaraan redelijkerwijs mocht worden toegekend, in het licht van de partijbedoelingen en de gerechtvaardigde verwachtingen over en weer (paragraaf 4.7.3). Hiermee bedoel ik dat de hypothetische situatie waarin de overheid informatieverstrekking niet achterwege zou hebben gelaten, zo moet worden gereconstrueerd dat de burger voor hem bruikbare informatie met een bepaalde inhoud zou hebben verkregen. Het onjuistheids- of onvolledigheidsgebrek dat de informatie voor het beoogde doel onbruikbaar maakte, moet dan ook worden weggedacht. Dit duidt erop dat niet snel plaats zal zijn voor het oordeel dat het bestuursorgaan in de hypothetische situatie minder onjuiste of onvolledige informatie zou hebben verstrekt, die voor de burger nog steeds (even) ontoereikend zou zijn geweest.