Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/3.2.2.1
3.2.2.1 GATT 1947
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258503:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nederlands-Belgisch-Luxemburgse Douane-overeenkomst van 5 september 1944, Stb. E 77.
K. Milenaar, De waarde bij invoer II, Wfr 1955/526 en onderdeel 3.3.3.1, i.h.b. voetnoot 65.
General Agreement on Tariffs and Trade (Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel), Genève, 30 oktober 1947 (GATT 1947). De volgende verdragslanden maken thans onderdeel uit van de Europese Unie: België, de Tsjechoslowaakse Republiek (thans Tsjechië en Slowakije), Frankrijk, Luxemburg en Nederland.
De uitgangspunten van artikel VII GATT 1947 tonen sterke overeenkomsten met artikel 36 van het Handvest van Havana, waarvan de Final Act van de Conferentie der Verenigde Naties over Handel en Werkgelegenheid op 28 maart 1948 te Havana door gedelegeerden van 53 landen is ondertekend. Het Handvest van Havana voorzag in de oprichting van een Internationale Handelsorganisatie (ITO), maar de ITO is, omdat het Handvest van Havana niet werd geratificeerd door de Amerikaanse Senaat, nooit tot stand gekomen.
Artikel VII:2 a en b GATT 1947.
Artikel VII:2 c GATT 1947.
Artikel VII:2 a GATT 1947.
Artikel VII:3 GATT 1947.
Artikel VII:4 b GATT 1947.
Artikel VII:2 b GATT 1947.
Met de totstandkoming van de GATT 1947 werd een eerste stap gezet om een geharmoniseerd systeem ter bepaling van de douanewaarde vast te stellen. Pogingen tot harmonisatie van de douanewaarde die vóór die tijd werden ondernomen onder auspiciën van internationale samenwerkingsverbanden, zoals de Volkenbond, liepen op niets uit. Wel kan nog worden gewezen op de Nederlands-Belgisch-Luxemburgse Douane-overeenkomst1 die een Benelux waardedefinitie tot stand bracht waarbij werd uitgegaan van de ‘normale waarde’.2
De harmonisatie van douanewetgeving op breder internationaal niveau kreeg pas na de Tweede Wereldoorlog gestalte. Een eerste aanzet hiertoe werd gegeven toen op 30 oktober 1947 te Genève door 23 landen de Algemene Overeenkomst van Tarieven en Handel (General Agreement on Tariffs and Trade: “GATT”) werd ondertekend.3 De verdragsluitende landen onderkenden met het sluiten van de GATT 1947 de noodzaak dat ter bevordering van de nationale welvaart samengewerkt moest worden op het gebied van handel en economie. Daartoe hebben de verdragslanden afgesproken dat gewerkt moest worden aan het aanzienlijk verminderen van handelsbelemmeringen. Uniforme douanewetgeving op onder andere het gebied van de bepaling van de belastbare invoerwaarde (lees: douanewaarde) paste in dit streven.
In artikel VII GATT 1947 is de basis gelegd voor een universele vaststelling van het begrip waarde voor de vaststelling van ad valorem rechten. Uit artikel VII GATT 1947 kunnen een zestal overwegingen worden gedestilleerd, die in acht genomen moeten worden voor het vaststellen van een systeem op basis waarvan de douanewaarde vastgesteld moet worden:4
In beginsel is de ‘werkelijke waarde’ van het ingevoerde goed de belastbare douanewaarde, of de ‘werkelijke waarde’ van een overeenkomstig goed, waarbij een normale handelstransactie tot stand is gekomen onder volledig vrije mededinging.5
Indien de ‘werkelijke waarde’ niet kan worden vastgesteld, wordt voor de berekening van de belastbare douanewaarde aangesloten bij het ten naaste bij als gelijkwaardig vast te stellen bedrag.6
De douanewaarde wordt niet gebaseerd op de waarde van goederen van binnenlandse oorsprong, of op willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.7
Een in het land van oorsprong of uitvoer geldende binnenlandse belasting waarvan het ingevoerde goed is vrijgesteld of waarvan teruggaaf is of zal worden verleend, wordt niet in de belastbare douanewaarde begrepen.8
De omrekenkoers dient werkelijk overeen te komen met de gangbare waarde van die valuta bij handelstransacties.9
Voor zover de prijs van het goed afhangt van de verhandelde hoeveelheid bij een bepaalde transactie, dient de in aanmerking komende prijs steeds te worden berekend naar i) vergelijkbare hoeveelheden of ii) hoeveelheden welke voor de importeurs ten minste even gunstig zijn als die waarin het merendeel van de goederen in het handelsverkeer tussen de invoerende en uitvoerende landen wordt verkocht.10
De landen die partij zijn bij de GATT 1947, zijn ertoe gehouden bovenstaande overwegingen in acht nemen bij het vormgeven van douanewaardebepalingen in hun nationale wetgeving. In Bijlage I ‘Aantekeningen en aanvullende opmerkingen’ van de GATT 1947 worden bepaalde begrippen zoals in de hiervoor opgenomen overwegingen zijn opgenomen, nader toegelicht. Verdragslanden bij de GATT 1947 staat het op grond van het Protocol van voorlopige toepassing van de GATT 1947 vrij om op bepaalde punten vast te houden aan pre-GATT 1947 gehanteerde methodes ter vaststelling van de douanewaarde hoewel deze niet passend zijn gelet op de GATT 1947 overwegingen. Gelet op deze ‘Grandfather clause’ en het feit dat de GATT 1947 enkel voorziet in randvoorwaarden waaraan een stelsel ter bepaling van de douanewaarde moet voldoen, kan nog niet gesproken worden over een internationaal geaccepteerd uniform douanewaardestelsel. Een succesvollere stap in dat kader werd gezet door het afsluiten van het Verdrag van Brussel (onderdeel 3.2.2.3).