Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.7.1
8.7.1 Een crediteur voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250233:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Notenboom 2017, p. 128 en Bartman 2015, p. 809. Zie Rb. Utrecht 31 juli 1996, JOR 1996/96 (Manning q.q./Haverkort Bouwgroep), r.o. 5.2, waar de rechtbank oordeelt dat een curator niet bevoegd is om namens de gezamenlijke crediteuren verzet in te stellen tegen het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. De crediteuren moeten zelfstandig verzet instellen.
Zie hoofdstuk 6 en in het bijzonder § 6.5.
Zie § 6.3.6.a.
Notenboom 2017, p. 128-129. Zie ook Bartman 2015, p. 809. Hetzelfde geldt voor de eerdergenoemde situatie dat een crediteur zijn vordering op de 403-maatschappij heeft gecedeerd aan een derde, en de derde verzet wil instellen.
Op grond van art. 2:404 lid 5 BW kan een crediteur ‘voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt’ verzet instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. De ‘vordering’ waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, is de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij – waarvoor de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is.1
Hoewel er nog onduidelijkheid is over hoe een vordering op grond van een 403-verklaring moet worden geduid,2 merk ik op dat als deze vordering wordt geduid als een ‘hoofdelijke vordering’ een crediteur zijn vorderingen op de moeder- en de 403-maatschappij onafhankelijk van elkaar kan cederen aan een derde.3 Als een crediteur zijn vordering op de 403-maatschappij heeft gecedeerd aan een derde, terwijl hij zelf rechthebbende is gebleven van de vordering op de moedermaatschappij, kan hij geen verzet instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Hij heeft dan geen vordering meer op de 403-maatschappij waarvoor nog aansprakelijkheid loopt. Daarnaast meen ik met Notenboom dat als de crediteur zijn vordering op de moedermaatschappij heeft gecedeerd aan een derde, terwijl hij zelf rechthebbende is gebleven van de vordering op de 403-maatschappij, hij doorgaans ook geen verzet kan instellen tegen het voornemen van de beëindiging.4 Aangezien de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid geen gevolgen heeft voor de vordering op de 403-maatschappij, heeft de crediteur in beginsel geen belang bij het instellen van verzet. Dit is slechts anders als de crediteur bijvoorbeeld contractueel verplicht is – tegenover de cessionaris aan wie hij de vordering op de moedermaatschappij heeft gecedeerd – om verzet in te stellen.