Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.6:5.6 Samenvatting
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.6
5.6 Samenvatting
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622193:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is geprobeerd om meer vanuit een rechtssystematische optiek de huidige eigendomsregeling te bezien. Hierbij zijn vier aspecten nader beschouwd. Het eerste is de vraag of de goederenrechtelijke aanspraak op netten niet beter door een zakelijk recht van netwerk had kunnen worden geregeld? De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis diverse argumenten aangevoerd om aan te tonen dat een zakelijk recht van netwerk niet tot de betere oplossing had kunnen leiden. Uit de aangevoerde argumenten is af te leiden dat de wetgever beoogd heeft om de `eigendomsverkriting"automatisch' te laten volgen uit de bevoegde aanleg van het net. Dit zou in beginsel niet bewerkstelligd kunnen worden door het creëren van een `normaal' nieuw zakelijk recht. Immers in het Nederlandse recht kennen we niet de systematiek zoals in het Belgische recht wordt gehanteerd, dat voor de bouw van een werk op andermans grond de expliciete toestemming resulteert in een accessoir opstalrecht. Dientengevolge heeft de wetgever dus niet voor introductie van een nieuw zakelijk recht willen kiezen. Door invoering van de huidige eigendomsregeling heeft de wetgever in zekere zin hetzelfde doel bereikt. Echter de huidige regeling is mager en incompleet, omdat de relatie neteigenaar en grondeigenaar geheel buiten beeld is gebleven. Bij een zakelijk recht zou dat niet zijn gebeurd. Een aanvulling in het burenrecht die ziet op de relatie tussen de grondeigenaar en de neteigenaar is dan ook zeer gewenst (zie verder het voorstel voor diverse bepalingen in de bijlage). Gegeven de keuze van de wetgever is het tweede aspect dat behandeld is, de relatie tussen het net en het perceel waarin het net is gelegen. In beginsel heeft de wetgever verwoord dat het met de nieuwe eigendomsregeling recht wil doen aan het feit dat een net als een zelfstandige onroerende zaak moet worden beschouwd. Voor vaststelling van de onroerende status van een net is de relatie met de grond (duurzame vereniging) niet losgelaten, maar voor de eigendomsvraag in beginsel wel en door middel van een eigen kadastrale netaanduiding is ook voor de administratie (of: registratie) van netten (in de openbare registers) de relatie met het perceel niet (meer) noodzakelijk. De relatie tussen net en perceel is in bepaalde situaties (nog) niet losgelaten en dat is in de situatie dat een net in eigen grond is aangelegd. Bij strikte toepassing van artikel 5:20, tweede lid BW kan geconcludeerd worden dat de regeling alleen ziet op netten die in grond van anderen zijn aangelegd. Netten in eigen grond worden in die lijn niet geregeerd door het tweede lid, maar eerder door het eerste lid van artikel 5:20 BW. Als reactie hierop zou aangevoerd kunnen worden dat deze gevolgtrekking niet spoort met de bedoeling van de wetgever met de onderhavige nieuwe regeling. Echter indien het de bedoeling is van de wetgever dat netten als zelfstandige onroerende zaken moeten worden beschouwd óók als deze in eigen grond zijn aangelegd, dan zal de wetgever hierin helderheid moeten verschaffen (bijvoorbeeld door toevoeging van een derde lid aan artikel 3:4 BW en/of aanpassing artikel 5:20, tweede lid BW).
Het derde aspect is de vraag of het bevoegdheidsvereiste in verband met de aanleg expliciet in de nieuwe eigendomsregeling betreffende netten had moeten worden geregeld. Afgezien van de vraag of de nieuwe regeling sowieso ziet op een vorm van eigendomsverkrijging, is er een vreemde keuze gemaakt en wel dat de `eigendomsverkrij ging' en/of eigendomstoedeling gekoppeld is aan toestemming (= bevoegde aanleg) terwijl dit bij andere vormen van bijvoorbeeld originaire eigendomsverkrijging los staat van de eventuele toestemming. In beginsel is het niet vreemd dat de aanleg gekoppeld is aan de bevoegdheid om een net aan te leggen. Vraag is alleen of dit als vereiste in de eigendomsregeling zelf had moeten worden opgenomen? Het ongebreideld aanleggen van netten in andermans grond zonder voorafgaande toestemming zal waarschijnlijk niet snel plaatsvinden aangezien de grondeigenaar kan vorderen dat een onbevoegd aangelegd net uit zijn grond verwijderd dient te worden, met alle fmanciële consequenties voor de onbevoegde aanlegger van dien. Daarnaast kan gesteld worden dat het bevoegdheidsvereiste uitgehold is gelet op de nieuwe overgangsbepaling (artikel 155a) en de vraag rijst dan ook of het bevoegdheidsvereiste überhaupt nog gehandhaafd moet blijven.
Als laatste heb ik nader ingezoomd op de vaste straalverbinding die onderdeel kan uitmaken van een voor de rest fysiek net. Een vaste straalverbinding bestaat uit drie elementen i) de zend- en ontvangstantennes; ii) de radiogolven; en iii) de frequentieruimte. De zend- en ontvangstantennes zijn goederenrechtelijk relevant omdat deze als zaak en als bestanddeel van een fysiek netwerk kunnen worden aangemerkt. De radiogolven en de frequentieruimte samen hebben enige goederenrechtelijk relevantie en kunnen vergeleken worden met elektriciteit. De heersende leer is dat elektriciteit geen zaak is en voor radiogolven en de frequentieruimte moet vastgesteld worden dat deze ook geen zaak (noch bestanddeel) in de zin van het goederenrecht zijn. Ze kunnen evenwel als een vermogensrecht gekwalificeerd worden.