Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/11.4.2:11.4.2 De tweede pijler van het opheffingskortgeding
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/11.4.2
11.4.2 De tweede pijler van het opheffingskortgeding
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498237:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ontwikkelingen inzake de werking van het opheffingskortgeding sedert de nieuwe regeling in Rv zijn in de rechtspraktijk tot stand gekomen. Zij zijn voor de beslagene nadelig, waardoor de werking van deze waarborg niet als voldoende is te beoordelen. De belangrijkste probleemgebieden bevinden zich in de door de Hoge Raad ontwikkelde leer van een aannemelijkheidslast in het opheffingskortgeding, die op de beslagene rust, alsmede de tendens om de beslaglegger vergaand het voordeel van de twijfel te gunnen. Het oprekken van het beginsel dat voor een vooralsnog onbewezen vordering beslag moet kunnen worden gelegd van een uiterste op een spectrum naar een standaard beginsel, dat ook in het opheffingskortgeding opgeld zou doen, is naar mijn idee onjuist. Ik meen dat ook voor de tweede pijler een verandering noodzakelijk is, die moet leiden tot een evenwichtiger benaderingswijze van de belangen van de beslaglegger en de beslagene. Een dergelijke herijking van vanzelfsprekendheden, met als inzet een verbetering van de positie van de beslagene met een redelijk verweer, kan door de Hoge Raad worden ingezet door de rechter de vrijheid te geven om in het opheffingskortgeding te komen tot een belangenafweging zonder restricties gebaseerd op het benadrukken van één zijde van de medaille, namelijk de aard van het beslag, dat ertoe strekt om te waarborgen dat na een toewijzend vonnis verhaal mogelijk zal zijn. In gelijke mate moet worden gewogen de aard van het eigendomsrecht, dat het meest omvattende recht is en geacht wordt in beginsel onbelemmerd te kunnen worden genoten.
Ook kan worden verwacht dat van de veranderde benadering in de beoordeling van beslagrekesten een reflexwerking zal uitgaan. Het verbinden van consequenties aan het niet naleven van de verplichting om de voorzieningenrechter volledig en naar waarheid te informeren en de toepassing van het criterium van het onnodige van het beslag lijken zich hiervoor in het bijzonder te lenen. Ook zonder dat de Hoge Raad nog heeft kunnen komen tot (verticale) aanwijzingen in dit verband, beschikt de voorzieningenrechter over de mogelijkheid en vrijheid om bij te dragen aan rechtsontwikkeling, door bij te nemen van beslissingen aspecten als herijking en reflexwerking mee te wegen, en de uitspraak van een deugdelijke, uitgebreider motivering dan het verwijzen naar standaard arresten, te voorzien.