Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.6.6.5
7.6.6.5 De omkeringsregel
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575227:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Deze term is gebruikt door H.J. Snijders in zijn noot bij HR 24 december 1999, NJ 2000, 428 m.nt. HJS (Gouda/Lutz) .
HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584, m.nt. CJHB (Sint Willibrord/V); HR 24 december 1999, NJ 2000, 428 m.nt. HJS (Gouda/Lutz); HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524 m.nt. JBMV (Ter Hofte/ Oude Mannink); HR 2 maart 2001, NJ 2001, 649 m.nt Van Wijnen en JBM (Stichting M./H.); HR 23 november 2001, NJ 2002, 386 m.nt. JBMV onder NJ 2002, 387(L/Stichting Gezondheidszorg); HR 23 november 2001, NJ 2002, 387 m.nt. JBMV (dwarslaesie); HR 19 maart 2004, NJ 2004, 307 m.nt. DA (B./J.); HR 9 april 2004, NJ 2004, 308 m.nt. DA (D./Achmea). Over de omkeringsregel is (te) veel literatuur verschenen. Zie bijvoorbeeld Hartlief 2001, p. 452-459; Giesen 2001; Hartlief 2004, p. 235-249; Lindenbergh 2004, p. 433-435. Zie ook Hoekzema 2003, p. 232-241, Akkerman 2002 (oratie); Akkerman 2003, p. 13 e.v.
HR 26 januari 1996, NJ 1996, 607 m.nt. WMK(H./Franken) .
HR 29 november 2002, NJ 2004, 304(Transport Ferry Service/Nederlandse Spoorwegen); HR 29 november 2002, NJ 2004, 305 m.nt. DA (Kastelijn/Achtkarspelen). Zie ook AA 2003, p. 307 m.nt. G.R. Rutgers (TFS/NS) en AA 2003, p. 298 m.nt. T. Hartlief (Kastelijn/Achtkarspelen) .
HR 29 november 2002, NJ 2004, 305 m.nt. DA (Kastelijn/Achtkarspelen). De Hoge Raad merkt hier nog eens op dat het hier bedoelde vermoeden zich niet zonder meer uitstrekt tot de omvang van de schade die in beginsel door de benadeelde moet worden aangetoond of aannemelijk gemaakt.
Zie ook Hettema 2004, p. 112. Inmiddels is er meer in het algemeen een tendens zichtbaar dat de reikwijdte van de omkeringsregel weer wordt ingeperkt.
Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 60-61.
HR 24 september 2004, NI 2005, 466 m.nt. DA (Stad Rotterdam c.s./Stam c.s.); HR 8 april 2005, NJ 2005, 284(Tuba Aydin/X. & Winterthur).
Hartlief & Tjittes 2005, p. 1608.
Hartlief & Tjittes 2005, p. 1608. Zie ook Klaassen 2007, nr. 51, p. 67.
Wat betreft de problematiek van het condicio sine qua non-verband geldt in het aansprakelijkheidsrecht de zogenaamde 'omkeringsregel'.1 Deze regel komt neer op het volgende:
'indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan.’2
De omkeringsregel die bekend stond als oplossing voor het probleem van onzekerheid over het csqn-verband bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen leek tot algemene regel te zijn verheven die binnen en buiten situaties van letselschade werd toegepast bij kansverhoging in het algemeen.3 Degene die werd aangesproken leek zowel de bewijslast als het bewijsrisico te dragen.
In de 29 november-arresten heeft de Hoge Raad getracht de omkeringsregel te verduidelijken.4 Hoewel de uitleg nog steeds niet geheel duidelijk was, bleek wel dat het volgens de Hoge Raad bij de omkeringsregel niet gaat om een omkering van de bewijslast. Het gaat volgens de Hoge Raad om een regel 'volgens welke bepaalde daarin aangeduide, vaststaande dan wel aannemelijk gemaakte, feiten een vermoeden van condicio sine qua non-verband opleveren dat door tegenbewijs kan worden ontkracht'. De Hoge Raad overweegt:
'voor de toepassing van voormelde regel is (...) vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.’5
Uit bovenstaande overweging van de Hoge Raad blijkt dat het moet gaan om strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.
Er kan over getwist worden of de mededingingsrechtelijke normen strekken tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.6 Vanuit het standpunt dat de mededingingsregels tot doel hebben de concurrentie te bevorderen en zodoende de consumentenwelvaart te vergroten is het verdedigbaar dat een dergelijke norm te algemeen is om van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade te kunnen spreken. De praktische waarde van de omkeringsregels voor zaken betreffende kartelschade of schade als gevolg van het maken van misbruik van een machtspositie is beperkt. De rechter kan in een concrete mededingingszaak uitgaan van een rechterlijk vermoeden ten gunste van de eiser. Uiteraard moet deze beslissing wel deugdelijk gemotiveerd zijn.7
In twee arresten die de Hoge Raad nadien heeft gewezen op het terrein van de verkeersaansprakelijkheid past de Hoge Raad de omkeringsregel toe, zonder uitvoerig aandacht te besteden aan de vraag of wel sprake is van een voldoende specifiek gevaar.8 De regel lijkt weer te zijn beperkt tot het oorspronkelijke toepassingsgebied van de schending van verkeers- en veiligheidsnormen, waarbij tegelijkertijd andere bewijsverlichtingsmogelijkheden onder de aandacht zijn gebracht.9 Hartlief en Tjittes concluderen dan ook 'gelukkig' weer terug bij af te zijn (waarbij het toepassingsgebied van de regel is beperkt tot de schending van verkeers- en veiligheidsnormen).10 Op het gebied van mededingingsrechtelijke normen lijkt de omkeringsregel dan ook geen rol van betekenis te spelen.