25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/61.4.2:61.4.2 Moderne toezichtinstrumenten
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/61.4.2
61.4.2 Moderne toezichtinstrumenten
Documentgegevens:
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. CRvB 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1258; CRvB 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4881.
CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:947, AB 2016/329, m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik.
CRvB 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3479, AB 2017/47, m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik.
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag naar een voldoende wettelijke bevoegdheidsgrondslag voor een inbreuk op artikel 8 EVRM is in de laatste jaren steeds relevanter geworden. Door allerlei technische ontwikkelingen zijn de onderzoeksmogelijkheden aanzienlijk verruimd en is de gebruiksintensiteit van bepaalde instrumenten toegenomen. Zo is het bij het uitoefenen van toezicht mogelijk geworden om gebruik te maken van camera’s, peilbakens, drones, chips of warmtezoekers en grote hoeveelheden data op te vangen en te analyseren. Met de inzet van dergelijke mo- derne methoden wordt al snel een zware inbreuk gemaakt op het privéleven van individuen.
Tot vrij recent nog achtte de CRvB de inzet van moderne toezichttechnieken, zoals camera’s, in de regel toelaatbaar.1 In 2016 heeft de CRvB zijn koers echter gewijzigd. Dat gebeurde in twee uitspraken over het gebruik van een peilbaken (GPS) onder een auto2 en dagenlange cameraobservatie3 om de gangen van de betrokkene na te gaan. De CRvB overwoog dat de toenemende technische verfijning en intensivering van opsporingsmethoden en -technieken een meer concreet omschreven legitimatie voor inbreuken op het fundamentele recht op bescherming van het privéleven verlangen. Noch titel 5.2 van de Awb, noch de algemene onderzoeksbevoegdheid van de WWB bieden volgens de CRvB die duidelijke, voorzienbare en met waarborgen omklede wettelijke grondslag voor het gebruik van de aan de orde zijnde ingrijpende onderzoeksmethoden, waarmee een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de betrokkenen kan worden verkregen. Het bewijsmateriaal werd door de CRvB dan ook (reeds) vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag als onrechtmatig verkregen aangemerkt en moest worden uitgesloten. Het probleem van de ontoereikende bevoegdheidsgrondslag speelt zeker niet alleen op het gebied van de sociale zekerheid. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2017 bijvoorbeeld dat de wettelijke bevoegdheden van de belastinginspecteur geen voldoende basis bieden voor het gebruik van automatische kentekenplaatherkenning.4