Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.2.1
7.3.2.1 Algemeen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494686:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hamer/Dekens 2006, p. 14.
In zijn noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226, pt. 3, meent Schalken – mijns inziens (te) weinig genuanceerd – dat tot aan die zaak op grond van Saunders werd aangenomen dat het niet-meewerkrecht samenvalt met het zwijgrecht.
Koopman 2002, onderdeel 3, lijkt strikt genomen terecht te stellen dat het Hof in Saunders niet heeft beslist dat het niet-meewerkrecht zich niet uitstrekt tot bewijsmateriaal waarvan het bestaan niet afhankelijk is van de wil van de verdachte. Wel overweegt het in algemene zin over het gebruik van wilsonafhankelijk bewijs. Anders Feteris, die in zijn noot onder Saunders inBNB 1997/254 meent dat de lezing dat het Hof is teruggekomen op Funke de minst onwaarschijnlijke is. In min of meer gelijke zin Valkenburg 1997, p. 578.
Zie onder meer Lenos 1997, p. 795 e.v. en Reijntjes 1996, p. 17 e.v.
Hamer/Dekens 2006, p. 15, reppen in dit verband over het (in rechte) bestaan van de documenten.
De volhardendheid van de Zwitserse belastingautoriteiten – J.B. werd tussen 1987 en 1990 acht keer verhoord en zijn weigering mee te werken werd bestraft met vier disciplinaire boetes – doet inderdaad anders vermoeden.
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken), § 69.
In afwijking van Funke, overweegt het Hof niet dat onzeker was of die documenten wel bestonden. Wat op de rekening betrekking hebbende documenten zijn, is overigens een feitelijke én interpretatieve vraag. De verdachte moet beslissen – beantwoorden – welke documenten op de rekeningen betrekking hebben. Dit laatste is wellicht per definitie onzeker voor de vorderende autoriteiten.
Met betrekking tot de zaak Funke zie men Reijntjes 1996, p. 17-18. Zie ook Schalken, noot onder HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232, pt. 6, die meent dat het inhumaan is om iemand – en zeker een verdachte die onder vervolgingsdruk staat – te verplichten tot iets waarvan niet zeker is dat hij daartoe in staat is. Of dit ten aanzien van J.B. speelde, is zeer de vraag.
In ieder geval tot aan Jalloh kon de gelding van het niet-meewerkrecht als zelfstandig recht naast het zwijgrecht serieus worden betwijfeld. De twijfel concentreerde zich rond de verhouding tussen de zaken Funke, Saunders en J.B. Terwijl het EHRM in § 69 van Saunders het gebruik van documenten die zijn verkregen op grond van een ‘warrant’ en ander wilsonafhankelijk materiaal buiten het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting lijkt te houden, brengt het in Funke en J.B. de gedwongen afgifte van documenten daar wel binnen (en concludeert het tot schending van dit recht). Saunders lijkt zodoende in tegenspraak met Funke en J.B.
Verklaringen voor (schijnbare) tegenstelling in de literatuur
In de literatuur is dan ook meer dan eens de vraag gesteld of het EHRM in Saunders is teruggekomen op zijn beslissing in Funke dat het gedwongen uitleveren van documenten ter inbeslagneming in strijd is met art. 6, lid 1 EVRM.1 Datzelfde is te zeggen over de latere vraag of J.B. aanleiding is voor twijfel over de voormelde uitleg van Saunders.2 Daarbij zouden vooral twee aspecten van belang zijn. Ten eerste overweegt het Hof in Saunders in algemene bewoordingen over het gebruik van zogenoemde Saunders-materiaal. Het beslist hier niet over.3 Terwijl het in § 69 van het arrest rept over documenten die worden verkregen op grond van een dwangbevel, betreffen Funke en J.B. (een poging tot) de verkrijging van documenten door het opleggen aan de klagers van (repeterende) sancties. Dit terwijl voor de verkrijging ervan (enige) medewerking van klagers werd verlangd.
Ten tweede lijkt van belang dat in Funke en J.B. niet zonder meer vaststond dat de van klagers gevraagde documenten (niet: de achterliggende rekeningen waarop de documenten betrekking hebben) daadwerkelijk bestonden.4 In Funke overweegt het Hof dat het bestaan van de gevraagde documenten onzeker was. Klager had zodoende invloed op de kenbaarheid ervan voor de autoriteiten.5 In lijn hiermee twijfelt het Hof in J.B. uitdrukkelijk aan de juistheid van het standpunt van de Zwitserse regering, dat die al op de hoogte was van de gevraagde informatie.6 Door die documenten te verstrekken, zou klager zichzelf niet belasten. Bovendien had klager de in het geding zijnde ‘bedragen’ al toegegeven.7 Kortom, in Funke wisten de Franse autoriteiten niet zeker of de klager over de gevraagde documenten beschikte, terwijl J.B. werd gevraagd om alle op de rekeningen betrekking hebbende documenten te overleggen.8 Als klagers dit al zouden hebben gewild, dan konden zij mogelijk toch niet aan de vorderingen van de autoriteiten voldoen.9