Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.2
1.8.2 De eiser
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644786:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld D. 10, 4, 3, 9; D. 10, 4, 3, 12; D. 10, 4, 19. Zie ook: Brinz (1882), p. 679; Vangerow III (1876), p. 638.
Vangerow III (1876), p. 638.
D. 10, 4, 13 (Gaius): “Si liber homo detineri ab aliquo dicatur, interdictum adversus eum, qui detinere dicitur, de exhibendo eo potest quis habere: nam ad exhibendum actio in eam rem inutilis videtur, quia haec actio ei creditur competere, cuius pecuniariter interest.”
Harke (2019), p. 81-82.
D. 10, 4, 3, 9 (Ulpianus): “Sciendum est autem non solum eis quos diximus competere ad exhibendum actionem, verum ei quoque, cuius interest exhiberi: iudex igitur summatim debebit cognoscere, an eius intersit, non an eius res sit, et sic iubere vel exhiberi, vel non, quia nihil interest.”
D. 10, 4, 3, 12 (Ulpianus): “Pomponius scribit eiusdem hominis nomine recte plures ad exhibendum agere posse: forte si homo primi sit, secundi in eo usus fructus sit, tertius possessionem suam contendat, quartus pigneratum sibi eum adfirmet: omnibus igitur ad exhibendum actio competit, quia omnium interest exhiberi hominem.”
D. 10, 4, 12, 6.
D. 19, 1, 25 (Julianus): “Qui pendentem vindemiam emit, si uvam legere prohibeatur a venditore, adversus eum petentem pretium exceptione uti peterit‚ si ea pecunia, qua de agitur, non pro ea re petitur, quae venit neque tradita est.” “ceterum post traditionem sive lectam uvam calcare sivi mustum evehere prohibeatur, ad exhibendum vel iniuriarum agere poterit, quemadmodum si aliam quamlibet rem suam tollere prohibeatur.”
De eiser bij de actio ad exhibendum was, zoals gezegd, oorspronkelijk degene die de revindicatie wilde instellen. Later was eenieder die een vermogensbelang bij de productie van de zaak had, bevoegd om de actie in te stellen.1 Met het belang van de schuldeiser werd bedoeld het vermogensbelang van de schuldeiser.2 Dat blijkt onder andere uit een tekst van Gaius uit zijn commentaar op het edict van de praetor urbanus. Daarin werd in een vrijheidsproces een vrij man tegen zijn wil vastgehouden. De eiser, die verlangde dat hij geproduceerd werd, moest zijn toevlucht nemen tot een interdict tot productie, interdictum de exhibendo. De actie tot productie was namelijk niet van toepassing, omdat hij geen geldelijk belang had bij de vrijlating.
“Als gesteld wordt dat een vrij man door iemand wordt vastgehouden, kan men een interdict tot productie verkrijgen tegen degene van wie men stelt dat hij hem vasthoudt. De actie tot productie wordt in deze zaak namelijk nutteloos geacht, omdat deze actie wordt geacht alleen toe te komen aan degene die een geldelijk belang heeft.”3
De rechter moest het geldelijk belang van de eiser (summier) onderzoeken.4
“Men behoort echter te weten dat de actie tot productie niet alleen toekomt aan degenen die wij genoemd hebben, maar ook aan hem die er belang bij heeft dat productie plaatsvindt. De rechter moet derhalve summier onderzoeken of de eiser belang heeft - niet of de zaak van hem is - en op grondslag daarvan bevelen dat er ofwel geproduceerd moet worden, of dat dit niet hoeft, omdat het belang ontbreekt.”5
Ook de vruchtgebruiker, de pandhouder en de verjaringsbezitter konden belanghebbenden zijn naast de eigenaar. Dan waren er dus meer belanghebbenden ten aanzien van een en dezelfde zaak.
“Pomponius schrijft dat verscheidene personen ter zake van eenzelfde zaak met recht een actie tot productie kunnen instellen, bijv. in het geval dat een slaaf aan een eerste persoon toebehoort, een tweede op hem een recht van vruchtgebruik heeft, een derde pretendeert hem te bezitten en een vierde beweert dat de slaaf aan hem verpand is: aan allen komt dus een actie tot productie toe, aangezien allen er belang bij hebben dat productie van de slaaf plaatsvindt.”6
Ook iemand die een bezitsinterdict wilde instellen, kon de actio ad exhibendum als hulpactie gebruiken. Zoals Ulpianus duidelijk aan het slot van bovenstaande tekst aangaf, was degene die belang had bij de productie van de zaak gerechtigd om de actie tot productie in te stellen. Daarom was de actie tot productie niet actief, dat wil zeggen aan de zijde van de eiser, overerfelijk. De erfgenaam had slechts de actio ad exhibendum als hij een eigen belang had bij de productie. Hetzelfde gold voor de erfgenaam van de gedaagde, die alleen maar dan tot productie verplicht was wanneer hij de mogelijkheid tot productie had. Dat hij erfgenaam was, deed er voor de verplichting tot productie niet toe.7
Soms had de eiser enkel als belang dat zijn zaken bij de gedaagde werden weggehaald (evehere). Interessant is het door Julianus behandelde geval over de koop van de oogst die nog aan de wijnstok zat.8 Iemand had de wijnoogst gekocht die nog aan de stam hing. De koper wilde de gerijpte druiven plukken, maar werd daarin gehinderd door de verkoper, die niettemin betaling van de koopprijs vorderde met de actio venditi. Die actie kon de koper afweren met de exceptio si ea pecunia, qua de agitur, non pro ea re petitur, quae venit neque tradita est, ofwel: “indien het geld waarover geprocedeerd wordt, niet voor een zaak wordt opgeëist die wel verkocht maar niet geleverd is”. De koper hoefde de koopprijs niet te betalen maar kon op grond van de koopovereenkomst levering vragen met de actio empti. De actie tot productie heeft de koper in dit geval niet nodig. De plicht tot levering sluit het voorhanden zijn van de zaak in. Anders ligt het wanneer de levering was geschied, maar de koper gehinderd werd in het verwerken van de geplukte druiven, bijvoorbeeld doordat de verkoper hem belette de druiven te persen of de most af te voeren. In dat geval had de actio empti geen zin omdat aan de levering was voldaan. Nu was er plaats voor de actio ad exhibendum. Ook kon de koper in dit geval verhaal zoeken met de actio iniuriarum. Hij beriep zich dan op de onrechtmatigheid (iniuria), die het gevolg was van de verhindering en schade had opgeleverd.
“Als degene die een wijnoogst aan de stok gekocht heeft, door de verkoper verhinderd wordt de druiven te plukken, kan hij tegen diens vordering van de koopprijs gebruik maken van de exceptie ‘indien het geld waarover geprocedeerd wordt, niet voor een zaak wordt opgeëist die wel verkocht maar niet geleverd is’. Als hij daarentegen na de levering verhinderd wordt hetzij de geplukte druiven te persen, hetzij de most af te voeren, zal hij met de actie tot productie, of de krenkingsactie kunnen procederen, evenals wanneer hij verhinderd zou worden een willekeurige andere hem toebehorende zaak weg te nemen.”