Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.1:6.1 Inleiding
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462078:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat de strafbeslisser in de eerste, beeldvormende fase de nodige kennis heeft vergaard over mogelijke strafbeïnvloedende omstandigheden, is het moment voor hem aangebroken om zijn oordeel te vormen. Tijdens deze fase van besluitvorming – de tweede fase van het straftoemetingsproces – filtert de beslisser de voor de straftoemeting relevante omstandigheden eruit om ze te waarderen en af te wegen.1 Het beginsel van een evenredige belangenafweging staat hierin centraal. Dit hoofdstuk staat dan ook in het teken van de in het fiscale bestuurlijke boeterecht voorkomende strafbeïnvloedende omstandigheden die uiting geven aan dit evenredigheidsbeginsel. Daarbij zullen de beschreven strafbeïnvloedende factoren gespiegeld worden aan vergelijkbare strafrechtelijke fenomenen.
Twee deelbeginselen
Het evenredigheidsbeginsel bevat twee deelbeginselen: het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel.2 Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat voor een bepaald doel het meest geschikte (het voor de burger minst ingrijpende) middel moet worden gekozen. Daarnaast moet het gekozen middel proportioneel zijn, dat wil zeggen dat het in verhouding moet staan tot het beoogde doel. Het middel moet doelmatig – ook wel: efficiënt – zijn.
In dit onderzoek gaat het om fiscale bestuurlijke boeten. Het middel waarmee de normoverschrijding in punitieve zin wordt bestreden – de fiscale bestuurlijke boete – is daarmee een gegeven. Vandaar dat bij de beoordeling van evenredigheid van bestuurlijke boeten in het algemeen niet toegekomen wordt aan de vraag of in plaats van een bestuurlijke boete een andere sanctie overwogen zou moeten worden (de subsidiariteitstoets). De specifieke uitwerking van het evenredigheidsbeginsel bij straftoemeting van fiscale bestuurlijke boeten richt zich dus in hoofdzaak op de proportionaliteitsvraag: staat de boete in verhouding tot het met de boete te dienen doel?
Hoofdstukindeling
In het volgende onderdeel 6.2 wordt ingegaan op de inbedding van het beginsel van proportionele bestraffing in het strafrecht en fiscale bestuursrecht. Vervolgens geeft onderdeel 6.3 een beschrijving van de strafdoelen binnen beide rechtsgebieden. Daarbij komen drie gemeenschappelijke strafdoelen nadrukkelijk in beeld – vergelding, generale preventie en speciale preventie – waarvan nader onderzocht wordt welke invloed deze doelen uitoefenen op de strafmaat. In onderdeel 6.4 worden de strafbeïnvloedende omstandigheden behandeld die zich in het fiscale bestuurlijke boeterecht voordoen. Deze omstandigheden, negentien in totaal, worden gerubriceerd naar de aard van het delict (6.4.2), de persoon van de dader (6.4.3), de wijze waarop het feit is begaan (6.4.4), de gevolgen van het feit (6.4.5), de omstandigheden waaronder het feit is begaan (6.4.6) en overige omstandigheden (6.4.7). Dit hoofdstuk wordt afgesloten met enkele afrondende beschouwingen (onderdeel 6.5).