Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/11.1.1
11.1.1 Het stelsel van een subjectieve en een objectieve termijn
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365293:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het aanvangsmoment van de korte termijn is: bij de vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen het moment waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307 BW); bij de vordering uit onverschuldigde betaling het moment van bekendheid met het bestaan van de vordering alsmede met de persoon van de ontvanger (art. 3:309 BW); bij de vordering tot schadevergoeding en de contractuele boete het moment van bekendheid met de schade of de opeisbaarheid van de boete en met de daarvoor aansprakelijke persoon (art. 3:310 BW); bij een internationale rechtsvordering met betrekking tot cultuurgoederen, alsook bij opeising van een roerende zaak als bedoeld in de Wet tot behoud van cultuurbezit het moment van bekendheid van de plaats van de zaak en de identiteit van de bezitter (art. 3:310a en b BW) en bij een vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking op grond van wanprestatie het moment van bekendheid met de tekortkoming (art. 3:311 BW).
Met overigens als belangrijke uitzondering de vordering tot vergoeding van personenschade; dat type vordering kan wel 'eeuwig' blijven bestaan. Zie hierna, § 21.3.2.
De objectieve termijn begint te lopen: bij een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen na onbepaalde tijd het moment waarop opeising op zijn vroegst mogelijk was (art. 3:307 lid 2 BW); bij een vordering uit onverschuldigde betaling het moment waarop de vordering is ontstaan (art. 3:309 BW); bij een vordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (art. 3:310 BW); bij een internationale rechtsvordering met betrekking tot cultuurgoederen het moment waarop de zaak buiten het grondgebied van de terugvorderende staat is gebracht (art. 3:310a BW); bij opeising van een roerende zaak als bedoeld in de Wet tot behoud van cultuurbezit het moment waarop een niet-rechthebbende bezitter van de zaak is geworden (3:310b BW) en bij een vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking op grond van wanprestatie het moment waarop de tekortkoming is ontstaan (3:311 BW).
Zie hierover nader § 12.1.
De enige uitzondering doet zich voor als de relatieve termijn zou gaan lopen, korter dan vijf jaar voordat de lange termijn afloopt; in dat uitzonderlijke geval verjaart de vordering wél krachtens de lange termijn terwijl de benadeelde in staat was zijn vordering geldend te maken.
Art. 3:306 BW geeft als hoofdregel dat "een rechtsvordering door verloop van twintig jaren" verjaart. Dat doet vermoeden dat wij, net als onder het oude BW, met één termijn te maken hebben. Zo is het echter niet. De geciteerde frase wordt voorafgegaan door de woorden "Indien de wet niet anders bepaalt". De wet bepaalt in het merendeel der gevallen wél anders: in de art. 3:307 tot en met 3:311 BW is ten aanzien van veruit de meeste typen rechtsvorderingen een afwijkend regime neergelegd.
Die art. 3:307 tot en met 3:311 BW hebben een getrapte structuur: ten eerste er is een termijn van vijf jaar die aanvangt, grof gezegd, op het moment dat de crediteur de voor het instellen van een vordering benodigde kennis heeft1 Omdat aldus de aanvang van de termijn afhankelijk is van de crediteur betreffende omstandigheden, spreekt men veelal van de subjectieve termijn. Nu is het mogelijk dat de crediteur de vereiste kennis nooit, of pas na onafzienbare tijd verkrijgt. Als de vijfj aarstermijn de enige verjaringstermijn zou zijn, zou dat in die gevallen betekenen dat de verjaring nooit of pas na onafzienbare termijn aanvangt. De wetgever heeft dat niet gewild,2 en heeft daarom voorzien in een tweede termijn, de twintigjaarstermijn. De aanvang van de twintigjaarstermijn wordt vastgesteld onafhankelijk van het vermogen van de crediteur zijn vordering in te stellen; zijn aanvang is afhankelijk van buiten de crediteur gelegen factoren en wordt daarom ook wel de objectieve termijn genoemd.3 Bijvoorbeeld: art. 3:310 lid 1 BW stelt het aanvangsmoment van de vijfjaarstermijn afhankelijk van bekendheid met schade en aansprakelijke persoon; omdat die bekendheid eeuwig kan uitblijven is er ook nog de twintigjaarstermijn die aanvangt op het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis.
De vijfjaarstermijn laat zich gemakkelijk doorgronden: vijf jaar nadat de crediteur de voor het instellen van de vordering benodigde kennis heeft verkregen, valt de bijl. Onderkenning van de precieze betekenis van verjaring krachtens de absolute termijn daarentegen, vereist een nadere denkstap. Die stap voert tot het inzicht dat de absolute termijn per definitie een rechtsvordering doet verjaren, nog voordat de crediteur die vordering heeft kunnen instellen.4
Ter illustratie dient wederom art. 3:310: in geval van verjaring krachtens de absolute termijn is de benadeelde ofwel onbekend met zijn schade, ofwel onbekend met de aansprakelijke persoon, ofwel onbekend met beide; zou dat anders zijn, dan was de subjectieve verjaringstermijn gaan lopen. Die onbekendheid maakt het hem onmogelijk zijn vordering in te stellen: men kan nu eenmaal geen vordering instellen voordat men bekend is met én zijn schade én de aansprakelijke persoon.5
Twee termijnen dus, een subjectieve vijfjaars- en een objectieve twintigjaarstermijn. Deze beide termijnen zullen in het hiernavolgende worden onderzocht. Deze paragraaf gaat over de subjectieve termijn.