Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/10.2.4.2
10.2.4.2 Bedrijfsfusie
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399470:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 12 augustus 2015, BLKB 2015/520M, V-N 2015/44.12. Voor een uiteenzetting van dit besluit zie bijvoorbeeld G.C. van der Burgt, Het (geactualiseerde) beleid van de Staatssecretaris van Financiën met betrekking tot bedrijfsfusies, splitsingen en juridische fusies in de vennootschapsbelasting (deel I en deel II), WPNR 2016/7130/4 en WPNR 2016/7131/6.
Er is geen sprake van een zelfstandig onderdeel van de onderneming als “enkel deelnemingen worden ingebracht” (zie punt 3.1 van het besluit). Bij een zogenoemde dooroverdracht (uitzakken van een onderneming in een werkmaatschappij) hoeven er op grond van een goedkeuring in het besluit geen vermogensbestanddelen achter te blijven (zie punt 3.1.1). In HR 30 november 2012, nr. 11/00167, BNB 2013/32 besliste de Hoge Raad in striktere zin dat bij de eerste inbreng alleen het niet voor dooroverdracht bestemde deel van de inbreng meetelt voor de beoordeling of sprake is van de vereiste inbreng van een onderneming of zelfstandig onderdeel daarvan. Zie uitgebreid hierover G.C. van der Burgt, De bedrijfsfusiefaciliteit van artikel 14 Wet Vpb 1969 en ‘dooroverdracht’, FBN 2013/4/20.
Voor een inhoudelijke uiteenzetting van de standaardvoorwaarden verwijs ik naar P.H.M. Simonis, Besluit bedrijfsfusie van 12 augustus 2015, MBB 2015/10.
Bij een bedrijfsfusie draagt het ene lichaam een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over aan het andere lichaam tegen uitreiking van aandelen. Een bedrijfsfusie is een economische fusievorm, waarbij de bestaande vennootschappen niet verdwijnen. Directe fiscale gevolgen doen zich alleen voor op het niveau van de lichamen zelf. De huidige bedrijfsfusiefaciliteit is opgenomen in art. 14 Wet VPB 1969. Daarnaast is het besluit van 12 augustus 20151, waarin goedkeuringen, standpunten en standaardvoorwaarden zijn opgenomen, van belang voor de praktijk.
De overdracht van een (zelfstandig onderdeel van een) onderneming vormt fiscaalrechtelijk een vervreemding en leidt derhalve tot realisatie van de fiscale meerwaarden bij de overdrager.
De bedrijfsfusiefaciliteit zorgt er voor dat de overdrager de winst behaald met of bij de overdracht niet in aanmerking hoeft te nemen. De huidige bedrijfsfusiefaciliteit bestaat eigenlijk uit twee onderdelen, namelijk een onvoorwaardelijke faciliteit enerzijds en een voorwaardelijke faciliteit anderzijds. De onvoorwaardelijke faciliteit is van rechtswege van toepassing indien voldaan is aan de volgende wettelijke vereisten.
Er moet overdracht plaatsvinden van een onderneming of een zelfstandig onderdeel van een onderneming.2 De huidige discussiepunten over het begrip (zelfstandig onderdeel van een) onderneming worden nader toegelicht in hoofdstuk 10.2.5.
Het overnemende lichaam moet vennootschapsbelastingplichtig zijn of worden. • De overdracht moet plaatsvinden tegen uitreiking van aandelen.
Een bijbetaling in contanten van maximaal 1% van hetgeen op de uitgereikte aandelen is gestort, met een maximum van €4.500, is toegestaan.
Voor het bepalen van de fiscale winst moeten bij het overdragende en het overnemende lichaam dezelfde bepalingen van toepassing zijn.
De overnemer kan geen aanspraak maken op:
voorwaartse verrekening van verliezen;
vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten;
toepassing van de innovatiebox (vanaf 1 januari 2017 geldt dat ook voor de overdrager);
toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten;
toepassing van de deelnemingsverrekening;
toepassing van de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten.
Latere heffing moet zijn verzekerd.
De fusie mag niet in overwegende mate gericht zijn op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De fusie wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van actieve werkzaamheden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen. Indien aandelen in de overdrager dan wel overnemer binnen drie jaar na de overdracht geheel of ten dele, direct of indirect worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de overdrager en de overnemer is verbonden, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. De laatste volzin wordt ook wel het vervreemdingsverbod genoemd. De huidige discussiepunten over de antimisbruikbepaling worden nader toegelicht in hoofdstuk 10.2.5.
Indien wel aan de eerste drie, maar niet aan de andere bovengenoemde wettelijke vereisten wordt voldaan, geldt een voorwaardelijke faciliteit. Dat wil zeggen dat zowel de overdrager als de overnemer vóór de bedrijfsfusie bij de inspecteur een verzoek moeten indienen om toepassing van de bedrijfsfusiefaciliteit. De inspecteur zal dan nadere (standaard)voorwaarden stellen. Deze voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de belasting die verschuldigd zou zijn indien de bedrijfsfusiefaciliteit niet van toepassing zou zijn geweest. De standaardvoorwaarden zijn laatstelijk gepubliceerd in bovengenoemd besluit van 12 augustus 2015.3 Volledigheidshalve merk ik op dat ook voor de voorwaardelijke faciliteit geldt dat de fusie niet in overwegende mate gericht mag zijn op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Het fiscale gevolg van de bedrijfsfusiefaciliteit is dat de fiscale claim (die ontstaan is door de bedrijfsfusie) wordt doorgeschoven. Dit wordt fiscaaltechnisch vormgegeven doordat de overnemer ten aanzien van alle vermogensbestanddelen die in het kader van de bedrijfsfusie zijn verkregen in de plaats treedt van de overdrager. Dit betekent onder meer dat de overnemer de verkregen vermogensbestanddelen fiscaal te boek stelt tegen de boekwaarde die ook bij de overdrager gold. Hier blijft de fiscale claim dus gekoppeld aan hetzelfde object, maar verschuift de fiscale claim tussen de belastingsubjecten (met andere woorden het tegenovergestelde van een aandelenfusie). De huidige discussiepunten over de fiscale indeplaatstreding worden nader toegelicht in hoofdstuk 10.2.5.