Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/11.5:11.5 Vergoeding van belastingschade bij abnormale vertraging
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/11.5
11.5 Vergoeding van belastingschade bij abnormale vertraging
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197406:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 juni 2004, nr. 72665/01 (Di Belmonte (no. 2) v. Italy).
EHRM 16 maart 2010, 72638/01 (Di Belmonte v. Italy). Zie over deze zaak nader Baker 2010a, p. 260.
In vergelijkbare zin Pauwels 2012, p. 74. Volgens hem is het knelpunt voor het EHRM niet de terugwerkende kracht, maar de vertraging van de betalingen waardoor deze onder de nieuwe bronbelasting vielen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de staat niet voortvarend handelt bij de terugbetaling van belasting, moet in beginsel compensatie worden geboden voor het (financiële) nadeel dat de belastingplichtige daarvan ondervindt. Een bijzondere geval van benadeling door traag overheidshandelen was aan de orde in de arresten Di Belmonte no 21en Di Belmonte2. De feiten in deze arresten lagen als volgt. De heer Di Belmonte was eigenaar van grond die werd onteigend door de Italiaanse autoriteiten. Na jarenlange juridische procedures werden hem schadevergoedingen en rente toegekend door de Italiaanse rechter. In Di Belmonte had de rechter uitspraak gedaan op 8 mei 1991 en in Di Belmonte no 2 op 10 december 1991. Op 1 januari 1992 werd in Italië een bronbelasting van 20% geïntroduceerd op vergoedingen in verband met onteigening. In beide zaken werd de schadevergoeding door de Italiaanse autoriteiten uitbetaald na 1 januari 1992. Hierdoor moest een bronheffing van 20% worden ingehouden op de schadevergoedingsbedragen. Als de schadevergoeding direct na het wijzen van het vonnis door de rechter zou zijn uitbetaald, dan zou er geen bronbelasting verschuldigd zijn geweest over de schadevergoeding. Volgens de belanghebbende was de handelwijze van de autoriteiten in strijd met artikel 1 Eerste Protocol. Het EHRM overweegt, onder verwijzing naar M.A. and others v. Finland, dat artikel 1 Eerste Protocol geen verbod bevat op terugwerkende kracht van belastingwetgeving. Het EHRM beschouwt de inhouding van bronbelasting op vóór 1 januari 1992 onvoorwaardelijk toegekende onteigeningsvergoedingen derhalve als een vorm van terugwerkende kracht. Zoals gebruikelijk in arresten over terugwerkende kracht komt het in de Di Belmonte zaken aan op een beoordeling van de fair balance. Bij de proportionaliteitstoetsing hecht het EHRM vooral belang aan het tijdsverloop tussen de datum van de rechterlijke beslissing en de inwerkingtreding van de nieuwe belastingwetgeving. In Di Belmonte no 2 waren er tussen de definitieve toekenning van de schadevergoeding en de inwerkingtreding van de nieuwe belastingwet 20 dagen verstreken. Volgens het EHRM kan in dat geval niet worden gezegd dat de handelwijze van de autoriteiten ertoe heeft geleid dat belasting moet worden ingehouden op de schadevergoeding. Er was in die zaak dan ook geen schending van artikel 1 Eerste Protocol. Dat lag anders in Di Belmonte, waar de schadevergoeding al veel eerder (namelijk op 8 mei 1991) was toegekend door de rechter. In deze zaak oordeelt het EHRM dat de trage terugbetaling door de autoriteiten er wel de oorzaak van was dat de belanghebbende bronbelasting moest betalen over de onteigeningsvergoeding. Derhalve werd in die zaak wel een schending van artikel 1 Eerste Protocol aangenomen en moest de staat een vergoeding betalen voor de (belasting) schade. De (materieel) terugwerkende kracht van de belastingwetgeving lijkt geen rol van betekenis te spelen in de beoordeling door het EHRM. Waar het werkelijk om draait is het dralen van de autoriteiten bij het betalen van de schadevergoeding.3 De uitkomst van deze zaken is in lijn met de in de vorige paragraaf besproken rechtspraak van het EHRM over vergoeding van vertragingsschade. De rode draad in deze rechtspraak is dat de fair balance is geschonden als de staat geen financiële compensatie biedt als er een abnormale vertraging optreedt bij het voldoen aan de eigen verplichtingen. Of een redelijke termijn is overschreden is afhankelijk van de feiten en dient per geval te worden beoordeeld.