Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/11.2
11.2 Inmenging in het eigendomsrecht
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197263:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 3.3.
EHRM 20 november 1995, nr. 17849/91 (Pressos Compania Naviera S.A. and Others v. Belgium), BNB 1996/123 m.nt. Feteris, par. 34.
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002, nr. 36677/97 (S.A. Dangeville v. France), BNB 2003/40 m.nt. Wattel, par. 51: “The Court considers it unnecessary to decide this issue, since the two rules are not “distinct” in the sense of being unconnected, are only concerned with particular instances of interference with the right to peaceful enjoyment of property and must, accordingly, be construed in the light of the principle enunciated in the first sentence of the first paragraph. The Court will therefore examine the interference in the light of the first sentence of the first paragraph of Article 1.”
Het EHRM kent verschillende typen van inmenging in het eigendomsrecht.1 Het belang van het onderscheid is gelegen in de intensiteit van toetsing. In belastingzaken onderzoekt het EHRM de aantasting van eigendom doorgaans onder de in de tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol opgenomen reguleringsregel (“to secure the payment of taxes”). In lijn daarmee zou een aantasting van eigendom door frustratie van een recht op belastingteruggaaf ook onder die categorie gebracht kunnen worden. Anderzijds lijkt de tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol vooral betrekking te hebben op belastingheffing en is het niet evident dat ook teruggaveverzoeken onder die bepaling vallen. Als de staat niet voldoet aan zijn verplichtingen, dan kan dat ook als een ontneming van eigendom worden gezien. De crediteur verliest immers het volledige genot van de vordering. In de niet-fiscale rechtspraak is steun te vinden voor deze benadering.2 Een belastingvordering verschilt niet principieel van andere soorten vorderingen op de staat, zodat het verdedigbaar is om ook de frustratie van een belastingteruggaaf als onteigening te beschouwen. Het EHRM heeft oog gehad voor dit dilemma, maar heeft gekozen voor een pragmatische oplossing.
Belastingteruggaveverzoeken worden namelijk onderzocht onder de algemene genotsregel van de eerste alinea van artikel 1 Eerste Protocol.3