De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.4:8.4 Conclusie van de kwaliteit van de onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundige in de praktijk
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.4
8.4 Conclusie van de kwaliteit van de onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundige in de praktijk
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701898:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de wijze centraal waarop de onteigenings- en nadeelcompensatierechter omgaat met klachten met betrekking tot de kwaliteit van de deskundige. Daartoe is de rechtspraak van beide rechters geanalyseerd. Uit die rechtspraakanalyse kan een aantal conclusies worden getrokken.
Een eerste conclusie is dat klachten met betrekking tot de kwaliteit van de deskundige in het onteigeningsrecht veel minder vaak voorkomen dan in het nadeelcompensatierecht. De voornaamste reden daarvoor is dat de bestuursrechtelijke nadeelcompensatieprocedure – waarin de inschakeling van deskundigen en de totstandkoming van het advies tot de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan behoren – vatbaarder is voor klachten met betrekking tot de deskundigen. Inzet van de procedure bij de bestuursrechter is immers het met inachtneming van het deskundigenadvies genomen besluit. In het onteigeningsrecht worden deskundigen daarentegen veeleer als verlengstuk van de onafhankelijk en onpartijdig geachte rechter gezien.
Een tweede conclusie is dat klachten met betrekking tot het kwaliteitsaspect deskundigheid minder vaak voorkomen dan klachten met betrekking tot de kwaliteitsaspecten onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
In het onteigeningsrecht komen klachten over een gebrek aan deskundigheid in het geheel niet voor. Redengevend is dat het in de praktijk ook wel goed zit met die deskundigheid. In het nadeelcompensatierecht komen klachten over een gebrek aan deskundigheid wel voor, maar is een dergelijke klacht nog nooit gehonoreerd. Anders dan in het onteigeningsrecht is niet zo zeer de daadwerkelijke deskundigheid redengevend, maar de wijze waarop de bestuursrechter omgaat met klachten over de deskundigheid. De bestuursrechter toont zich betrekkelijk terughoudend in de toetsing. Gezichtspunten – zoals die in § 5.6 – aan de hand waarvan de deskundigheid wordt beoordeeld ontbreken. Ook op een eventuele inschrijving in Register DOBS of het LRGD wordt nog te weinig acht geslagen. In de rechtspraak wordt het probleem van de beoordeling van de deskundigheid van de adviseur in die zin opgelost dat tal van adviseurs simpelweg worden aangemerkt als ‘onafhankelijke deskundigen’ op het gebied van planschade en nadeelcompensatie. Dat zou mijns inziens beter kunnen. Van de (hoogste) bestuursrechter mag worden verwacht dat deze aan de hand van kenbare factoren en met gebruikmaking van een relevant deskundigenregister de veronderstelde deskundigheid onderbouwt.
Dat geldt ook voor het kwaliteitsaspect ‘onafhankelijkheid’. Met name in het planschade- en nadeelcompensatierecht is de onafhankelijkheid een heet hangijzer. Appellanten trachten met tal van stellingen de gedachte ingang te doen vinden dat het enkele feit dat een deskundige formeel onafhankelijk is – i.e. niet werkzaam is onder de verantwoordelijk van het betrokken bestuursorgaan – nog niet betekent dat die deskundige ook daadwerkelijk, feitelijk onafhankelijk is. Zij wijzen daarbij dikwijls op de vaste samenwerkingsverbanden tussen bestuursorganen en adviesinstanties. De Afdeling ziet in dergelijke betogen (nog) geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de totstandkoming van het advies. Vaak overweegt de Afdeling ook hier – zonder nadere onderbouwing – dat de aangevallen adviseur is te beschouwen als een ‘onafhankelijke adviseur op het gebied van planschade of nadeelcompensatie’.
Zowel in het onteigenings- als het nadeelcompensatierecht is de onpartijdigheid het kwaliteitsaspect dat het meest ter discussie wordt gesteld. Zowel de civiele onteigeningsrechter als de bestuursrechtelijke nadeelcompensatierechter hebben een norm ontwikkeld aan de hand waarvan twijfels over de onpartijdigheid moeten worden beoordeeld. Op grond van de bevindingen in dit hoofdstuk moet worden vastgesteld (conclusie drie) dat die norm bij beide rechters anders is, althans een andere invulling krijgt. Waar het in het onteigeningsrecht funest is dat een deskundige, of zelfs maar diens (oud-)kantoor, actief is geweest voor een van de bij de onteigening betrokken partijen, wordt die omstandigheid in het nadeelcompensatierecht niet als bezwaar gezien. De Afdeling trekt pas de grens wanneer een advocaat, of diens kantoor, gelijktijdig of betrekkelijk kort voorafgaande aan de onafhankelijke adviesopdracht het bestuursorgaan als advocaat heeft bijgestaan. Mijns inziens zou de hoogte van de lat van de schijn van partijdigheid niet moeten verschillen tussen advocaten en niet-advocaten. Noch zou die lat moeten verschillen tussen twee rechtsgebieden of hoogste rechtscolleges. Gestreefd moet worden naar rechtseenheid zodat de situatie wordt voorkomen waarin er twee verschillende ‘schijnen’ van partijdigheid bestaan. Een identieke feitenconstellatie moet leiden tot eenzelfde uitkomst.