Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/4.3.3.2
4.3.3.2 Aanspraak op teruggaaf van input-BTW
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197283:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze problematiek nader: Tzenova 2010 en Variychuk 2011.
EHRM 9 januari 2007, nr. 803/02 (Intersplav v. Ukraine).
EHRM 9 januari 2007, nr. 803/02 (Intersplav v. Ukraine), par. 31.
EHRM 9 januari 2007, nr. 803/02 (Intersplav v. Ukraine), par. 32.
EHRM 22 januari 2009, nr. 3991/03 (Bulves AD v. Bulgaria).
EHRM 22 januari 2009, nr. 3991/03 (Bulves AD v. Bulgaria).
Het EHRM oordeelde in vergelijkbare zin in EHRM 25 januari 2011 nrs. 26553/05, 25912/09, 40107/09 en 12509/10 (Stefan Nazarev and Others v. Bulgaria), EHRM 18 maart 2014, nr. 39689/05 (Krasimir Milchev Atev v. Bulgaria en EHRM 18 maart 2010, nr. 6689/03 (Business Support Centre v. Bulgaria).
Aan het EHRM is verschillende keren de vraag voorgelegd of een belastingplichtige op grond van de nationale wet mocht menen een vordering op de staat te hebben. Veel van deze zaken betroffen belastingplichtigen die meenden een recht op teruggaaf van BTW te hebben, welk recht hen door de nationale autoriteiten werd ontzegd.1 Een dergelijke zaak is Intersplav v. Ukraine.2 In deze zaak was niet in geschil dat de belanghebbende recht had op terugbetaling van BTW. In Oekraïne werd echter pas overgegaan tot terugbetaling als de verzoeker een certificaat kon overleggen waarin de Oekraïense belastingdienst dan wel de rechter het recht op teruggaaf van BTW bevestigde. Zowel de Oekraïense belastingdienst als de rechter weigerden stelselmatig en zonder motivering om een dergelijk certificaat af te geven, zodat de belanghebbende het geld waarop zij recht had nooit kreeg uitbetaald. Het EHRM oordeelde dat de belanghebbende voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BTW, zodat zij redelijkerwijs mocht verwachten dat die zou worden terugbetaald.3 Volgens het EHRM had de belanghebbende in dit geval een door de Oekraïense wet erkend “proprietary interest”, dat wordt beschermd door artikel 1 Eerste Protocol. Of de belanghebbende een legitimate expectation had werd door het EHRM in het midden gelaten (“the Court does not find it necessary to determine the precise content and scope of the legal interest in question”).4 In Bulves v. Bulgaria5 kwam het EHRM eveneens tot het oordeel dat de belanghebbende op basis van de nationale wet recht had op teruggaaf van BTW. In dit geval stond vast dat de belanghebbende aan al haar eigen fiscale verplichtingen voldeed, maar werd haar de terugbetaling van BTW ontzegd omdat er onregelmatigheden waren aangetroffen in de administratie van een leverancier. Volgens het EHRM had de belanghebbende in dit geval op zijn minst de legitimate expectation van teruggaaf van BTW:6
“the Court considers that, in so far as the applicant company had complied fully and in time with the VAT rules set by the State, had no means of enforcing compliance by its supplier and had no knowledge of the latter’s failure to do so, it could justifiably expect to be allowed to benefit from one of the principal rules of the VAT system of taxation by being allowed to deduct the input VAT it had paid to its supplier. Moreover, only once a claim for such a deduction had been made and a cross-check of the supplier had been conducted by the tax authorities could it be ascertained whether the latter had fully complied with its own VAT reporting obligations. Thus, the Court considers that the applicant company’s right to claim a deduction of the input VAT amounted to at least a “legitimate expectation” of obtaining effective enjoyment of a property right amounting to a “possession” within the meaning of the first sentence of Article 1 of Protocol No. 1”).7