Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.5.1:6.5.1 Inleiding
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.5.1
6.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972014:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze definitie is ontleend aan Meinema (diss.) 2003, p. 48.
Zie bijvoorbeeld artikel 6:160 BW en, in het vennootschapsrecht, artikel 2:92a/201a lid 4 BW en artikel 2:337 BW.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 53.
Zie ook Van Veen 2018, p. 98-99.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 53; Stokkermans 2008, p. 108; en Van Veen 2011, p. 18 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte de vraag of, en zo ja, in hoeverre wettelijke informatierechten van aandeelhouders contractueel kunnen worden beperkt. Anders gezegd, in hoeverre kan een aandeelhouder met een contractueel instrument afstand doen van zijn wettelijke informatierechten? Met afstand van recht wordt bedoeld de rechtshandeling gericht op het doelbewust prijsgeven van een recht of bevoegdheid,1 althans het aangaan van een contractuele verplichting om dat recht of die bevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen afstand doen van recht met goederenrechtelijke werking, waarbij het prijsgegeven recht tenietgaat,2 en afstand doen van recht met verbintenisrechtelijke werking, een ‘oneigenlijke’ tegenhanger met slechts obligatoire werking, waarbij het prijsgegeven recht niet tenietgaat.
Het Nederlands recht staat in beginsel toe dat partijen afstand doen van hun rechten, maar die vrijheid is niet onbeperkt. In enkele gevallen is afstand van recht wettelijk uitgesloten.3 Daarnaast kan de rechtshandeling waarmee afstand wordt gedaan van een recht nietig zijn op grond van artikel 3:40 BW indien die rechtshandeling door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. Ik meen dat terughoudendheid hierbij gepast is, omdat partijen in beginsel vrijelijk beschikken over hun rechten en daarmee dus ook vrijelijk ervoor kunnen kiezen dat recht niet of op bepaalde wijze uit te oefenen.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het doen van afstand van aandeelhoudersrechten. Als uitgangspunt kunnen aandeelhouders afstand doen van de rechten verbonden aan hun aandelen. Een dergelijk afstand van recht heeft slechts verbintenisrechtelijke werking.4 Concreet betekent dit dat een prijsgegeven aandeelhoudersrecht in vennootschapsrechtelijke zin niet wordt aangetast, maar dat een aandeelhouder zich wel obligatoir kan verbinden dat recht niet of op een bepaalde wijze uit te oefenen.5 Zoals reeds toegelicht in paragraaf 6.2.2 hiervoor, kunnen dergelijke afspraken voorts de eisen inkleuren die de redelijkheid en billijkheid stelt aan het gedrag van de betreffende aandeelhouder. De vrijheid van een aandeelhouder om zijn rechten prijs te geven is niet onbeperkt; ook hier geldt de grens van artikel 3:40 BW.6 Bij de keuze van een aandeelhouder om bepaalde rechten prijs te geven, staat de partijautonomie voorop. Partijen zijn in beginsel dus vrij om afstand van hun rechten te doen. Dit noopt tot terughoudendheid bij de toetsing aan artikel 3:40 BW.