De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.3.5:8.4.3.5 Geen zuiver ordenende onmiddellijke voorzieningen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.3.5
8.4.3.5 Geen zuiver ordenende onmiddellijke voorzieningen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372108:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders/Klaassen & Meijer, nr. 339 en Tjong Tjin Tai, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 257 BW, aant. 5.
Anders Croiset van Uchelen 2010B, par. 4.
Vgl. Croiset van Uchelen 2010B, par. 4, die de norm van art. 2:349a lid 2 BW kennelijk zo open vindt dat deze geen norm zou bevatten. Vgl. echter par. 5.
Zie par. 8.4.3.3 en 8.4.3.4 en Veenstra (Diss.), par. 4.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt er veelvuldig op gewezen dat onmiddellijke voorzieningen “ordemaatregelen” zijn die getroffen worden nadat een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot de vraag of de ondernemingskamer ook zuiver ordenend kan optreden. In geval van een zuiver ordenende onmiddellijke voorziening wordt uitsluitend beslist op basis van een belangenafweging, terwijl daaraan geen juridisch oordeel ten grondslag ligt.1 Uit de hierboven in par. 8.4.3.2 besproken kort-geding-rechtspraak en de daarop aansluitende literatuur blijkt dat zuiver ordenende beslissingen in kort geding niet mogelijk zijn, omdat de voorzieningenrechter zich moet richten op de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Om de eveneens in par. 8.4.3.2 genoemde redenen meen ik dat zuiver ordenende onmiddellijke voorzieningen niet mogelijk zijn.2 Dat zou ook haaks staan op art. 11 Wet Algemene Bepalingen waarin is vastgelegd dat de rechter volgens de wet recht moet spreken.
Dat betekent dat, indien de ondernemingskamer zich geconfronteerd ziet met een veelheid aan verwijten over en weer en niet aanstonds duidelijk is wat daar allemaal van waar is, zij niet zou mogen denken (enigszins simpel gezegd): “eerst maar eens even de boel bevriezen voordat het (verder) uit de hand loopt, daarna zien we wel verder.” Indien echter de ondernemingskamer niets menselijks vreemd is, is wel voorstelbaar dat het in de praktijk toch zo gaat. Strikt genomen moet evenwel een rechtsregel ingrijpen door de ondernemingskamer rechtvaardigen.
De benodigde rechtsregel zal veelal ook voorhanden zijn in de hierboven bedoelde situatie. Dikwijls is immers duidelijk dat, wie dan ook de schuld heeft, de toestand van de vennootschap of de daaraan verbonden onderneming in ieder geval een onmiddellijke voorziening behoeft. Dat is een juridisch oordeel die het treffen van onmiddellijke voorzieningen rechtvaardigt.3 Voorts kunnen onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek worden getroffen, indien dat nodig is om te voorkomen dat de enquêteprocedure wordt gefrustreerd doordat verzoekers en de ondernemingskamer hangende het onderzoek of nadat het onderzoek is afgerond, met een voldongen feit worden geconfronteerd.4