Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.5:14.5 Conclusie
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.5
14.5 Conclusie
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197312:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Britse burgers hebben het lang moeten stellen zonder de mogelijkheid om bij de nationale rechter een beroep te doen op het EVRM of een nationaalrechtelijk equivalent. Dat betekende niet dat het EVRM in die periode in het geheel niet relevant was in het Verenigd Koninkrijk. De rechter kon bij de interpretatie van wetgeving wel rekening houden met grondrechten, door te streven naar een uitleg waarbij geen grondrechten werden geschonden. Als de tekst van de wet of de bedoeling van het parlement duidelijk waren, bestond er eigenlijk geen ruimte voor verdragsconforme interpretatie. Op belastinggebied lijkt de Britse rechter het eigendomsgrondrecht vóór de inwerkingtreding van de HRA niet nodig gehad te hebben bij de rechtsvinding.
Britse belastingbetalers die meenden dat hun grondrechten waren geschonden konden er altijd voor kiezen om hun zaak aanhangig te maken in Straatsburg. In voorkomende gevallen was het niet eens nodig om daarvoor de gehele nationale rechtsgang te doorlopen. Als er van een rechtsgang hoe dan ook geen enkel succes te verwachten viel, verwacht het EHRM van een burger niet dat hij alle rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan in de nationale procedure uitput.1 In de Britse situatie van vóór de inwerkingtreding van de HRA lijkt me daarvan niet zonder meer sprake te zijn, omdat de rechter door middel van verdragsconforme interpretatie rekening kon houden met het EVRM. Er zijn niet veel Britse belastingplichtigen die pre-HRA in Straatsburg een beroep hebben gedaan op artikel 1 Eerste Protocol. Mogelijk hebben de hoge kosten voor een procedure daarbij ook een rol gespeeld. Wat ook zou kunnen is dat Britse belastingplichtigen en hun adviseurs zich niet bewust zijn geweest van de mogelijkheden van artikel 1 Eerste Protocol op belastinggebied. De procedures die wel zijn gevoerd in Straatsburg gingen vooral over terugwerkende kracht van Britse belastingwetgeving.
Sinds de inwerkingtreding van de HRA wordt regelmatig beroep gedaan bij de Britse rechter op artikel 1 Eerste Protocol. In dit hoofdstuk heb ik enige belangrijke uitspraken van lagere en hogere rechters besproken en geanalyseerd. In veel van die zaken gaat het om antimisbruikwetgeving. In de geanalyseerde uitspraken heeft de Britse rechter de rechtspraak van het EHRM steevast tot richtsnoer genomen. Regelmatig worden relevante overwegingen uit arresten van het EHRM geciteerd en wordt de daaruit te destilleren norm toegepast op de voorliggende casus. Zo hebben typisch Straatsburgs concepten als de “wide margin of appreciation” en de “sufficiently established claim” hun weg gevonden in de Britse (belasting)rechtspraak. Hierdoor ligt de lat om in een belastingzaak te kunnen concluderen tot een schending van het eigendomsrecht bepaald hoog, omdat de Britse rechter net zo terughoudend toetst als het EHRM. Datzelfde zien we in Nederland, waar de rechter zich op basis van de grondwet niet bevoegd acht om een ruimere uitleg aan internationale verdragen te geven dan de internationale rechter doet. De gerichtheid op de Straatsburgse rechtspraak vloeit voor de Britse rechter rechtstreeks voort uit artikel 2 van de HRA, waarin de opdracht voor de rechter is opgenomen om acht te slaan op relevante Straatsburgs rechtspraak en voor het overige de parliamentary sovereignty zoveel mogelijk te respecteren. In zoverre lijkt de Britse rechter ook niet veel anders te kunnen doen dan die rechtspraak in volle omvang (inclusief de doctrine van de wide margin of appreciation) over te nemen, behalve voor zover dat zou leiden tot onverbindend verklaren van Acts of Parliament: hij kan niet verder gaan dan EVRM-conforme interpretatie van de nationale wet en als dat niet lukt, een declaration of incompatibility). Naast overeenkomsten, bestaan er ook verschillen ten opzichte van de wijze waarop het EHRM beroepen op artikel 1 Eerste Protocol doorgaans beoordeelt. Dit betreft met name de geneigdheid van de Britse rechter om ook aandacht te besteden aan vragen die strikt genomen niet noodzakelijk zijn om een geschil te beslechten, met name de vraag of wel sprake is van een possession. Dit lijkt een gevolg van het kennelijke uitgangspunt in de Britse belastingdogmatiek dat elke aftrekpost en elke verrekeningsaanspraak slechts een arguable claim (en daarmee in beginsel nog geen possession, want nog niet sufficiently established) is zolang hij nog niet erkend is door HMRC of een belastingrechter.
Zoals verwacht mag worden van een land waar door de rechter op belastinggebied een wide margin of appreciation in acht wordt genomen jegens de wetgever, is het aantal Britse belastingzaken waarin een beroep op artikel 1 Eerste Protocol is gehonoreerd bijzonder beperkt.2Fessal (zie par. 14.4.5) is een zeldzaam geval waar de belastingplichtige in het gelijk is gesteld door de rechter. Dat ging dan ook om een zeer bijzondere situatie, waarbij de samenloop van verschillende wettelijke regimes tot het door de wetgever onbedoelde en ongewenste gevolg leidde dat winst tweemaal werd belast, een resultaat dat bovendien indruist tegen het basisidee van de inkomstenbelasting. De schending van artikel 1 Eerste protocol kon in dat geval eenvoudig worden weggenomen door de wet teleologisch te interpreteren waardoor er geen dubbele belastingheffing meer optrad. Tot een declaration of incompatibility of schadevergoeding kwam het dus niet. In alle andere door mij bestudeerde zaken zijn de beroepen van de belastingplichtigen afgewezen. In Lobler (zie par. 14.4.4) bestond mijns inziens mogelijk wel aanleiding om te concluderen tot een met artikel 1 Eerste Protocol strijdige individual and excessive burden, maar daar kwam de rechter niet aan toe omdat hij de exorbitante heffing al door een ‘normale’ wetsuitleg had weggenomen. Ook in alle andere door mij onderzochte uitspraken vond de toetsing door de rechter uitsluitend op regelniveau plaats.