Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/7.2:7.2 Een Lopikse casus
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/7.2
7.2 Een Lopikse casus
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491084:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 18 april 1901, W 7657 (Markestein/Doude van Troostwijk); hof’s-Gravenhage 5 maart 1907, W 8540 (Doude van Troostwijk/Markestein).
In de uitspraken wordt niet gezegd dat de erfpacht is geleverd. Men lijkt daar impliciet vanuit te gaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
78. Illustratief is de casus die heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 april 1901 en (in hoger beroep) een arrest van het hof ’s-Gravenhage van 5 maart 1907.1 De heer en mevrouw Jonkers zijn gezamenlijk gerechtigd tot rechten van erfpacht op twee percelen in de gemeente Lopik. Een derde heeft de blote eigendom. Het echtpaar heeft de rechten van erfpacht bij akte van 19 april 1890 verkocht (en geleverd) aan hun zoon.2 In de akte is bepaald dat de zoon de erfpacht niet van bestemming mag veranderen, verhuren, vervreemden of bezwaren met beperkte rechten, zonder schriftelijke toestemming van zijn ouders. Bij overtreding van dit beding, is de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden.
De heer Jonkers overlijdt op 2 juni 1890; de zoon is zijn enig erfgenaam. De heer Jonkers heeft het vruchtgebruik van zijn nalatenschap gelegateerd aan zijn vrouw. De zoon verkrijgt op 24 november 1890 van de derde de blote eigendom van de grond. Bij akte van 5 januari 1898 vestigt de zoon rechten van hypotheek op de percelen, zonder toestemming te vragen aan zijn moeder. Op 6 september 1899 laat de heer Doude van Troostwijk ten laste van de zoon op de percelen executoriaal beslag leggen. Bij deurwaardersexploot van 21 september 1899 doet de moeder een beroep op de ontbindende voorwaarde, omdat de hypotheken zonder haar toestemming zijn gevestigd.
Mevrouw Jonkers vordert dat het beslag nietig wordt verklaard wat betreft de erfpacht van de percelen, omdat zij (en niet haar zoon) gerechtigd is tot de erfpacht, als gevolg van de vervulling van de ontbindende voorwaarde. Doude van Troostwijk voert verweer. Hij stelt dat de erfpacht op 24 november 1890 door vermenging teniet is gegaan, en dat de erfpacht niet kan herleven door vervulling van de voorwaarde.
De rechtbank wijst de vordering van mevrouw Jonkers toe. Zij verklaart het beslag nietig, voor zover het is gelegd op de erfpacht. De erfpacht is volgens de rechtbank niet door vermenging tenietgegaan, omdat de zoon de erfpacht slechts onder ontbindende voorwaarde in zijn vermogen had. Vermenging treedt alleen op als zij ‘volkomen’ is, aldus de rechtbank.
Doude van Troostwijk gaat in hoger beroep. Volgens het hof gaat de erfpacht weliswaar door vermenging teniet, maar is de vermenging onderworpen aan dezelfde voorwaarde, als waaronder eigendom en erfpacht in één hand zijn gekomen. Bij vervulling van de voorwaarde is achteraf gezien geen vermenging opgetreden.3