Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.7.4:2.7.4 Waardering van de drie besproken grondslagvisies
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.7.4
2.7.4 Waardering van de drie besproken grondslagvisies
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587294:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op de grote rol van de autonomie in zijn gebondenheidsleer en gelet op het feit dat voor het vertrouwen in de rechtshandelingsleer van Canaris geen zelfstandige, maar enkel een ondersteunende rol is weggelegd, doet Canaris' opvatting in menig opzicht sterk denken aan de hiervoor in § 3.4 besproken wilsvertrouwensleer, zoals deze o.m. door Meijers is verdedigd.1 Zij moet mijns inziens dan ook het lot van die laatste leer delen, nu ook aan de leer van Canaris het bezwaar kleeft dat een onderbouwing voor de premisse dat de "wil noodzakelijkerwijs het bindend element van de op een overeenkomst gerichte rechtshandeling" zou zijn, ontbreekt.2 Haaks op de theorie van Canaris staat evenwel de opvatting van Flume en Larenz. Laatstgenoemden betogen beide dat de binding aan het overeengekomene niet door zelfbeschikking tot stand komt, maar door de rechtsorde wordt verleend. Het is deze laatste opvatting die ik voor juist houd, zij het dat ik — om hierna te noemen redenen — van mening ben dat het in laatste instantie niet de rechtsorde, maar de rechtsgemeenschap is die, door middel van de door haar in stand gehouden rechtsorde, bepaalt wanneer gebondenheid aan het overeengekomene toekomt en wanneer deze aan het overeengekomene moet worden onthouden.3 Dit standpunt wordt nader uiteengezet en uitgewerkt in de thans volgende paragraaf.