Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.5
5.5 Enquêterecht
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS389722:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Buitenlandse enquêtegerechtigden – bijv. Aandeelhouders – kunnen wel gebruik maken van de enquêteprocedure. In de zaak Chinese Walls overwoog de Hoge Raad dat zelfs een aandeelhouder van een buitenlandse moedervennootschap bevoegd is een enquête te entameren bij een Nederlandse rechtspersoon. Hoge Raad 29 maart 2013, JOR 2013/166.
Ondernemingskamer 16 juli 2004, ARO 2004/96, JOR 2004/230 (Citadel). Zie ook: Ondernemingskamer 18 augustus 2005, ARO 2005, 161, JOR 2005/171 en Kamerstukken II, 1992-1993, 22400, nr. 6-8. Volgens Josephus Jitta moet hetzelfde gelden voor rechtspersonen naar buitenlands recht die hun statutaire zetel in Nederland hebben. Zie zijn noot bij JOR 2004/230 (Citadel).
Hoge Raad 13 mei 2005, NJ 2005, 298, ARO 2005/79, JOR 2005/147 (Zeelandia). In de literatuur en wetsgeschiedenis is verschillende keren de vraag opgeworpen of het enquêterecht moet worden uitgebreid naar formeel buitenlandse vennootschappen. Deze vraag gaat de reikwijdte van dit proefschrift te buiten en ik verwijs daarom naar het artikel van Verbrugh en Timmerman in Tijdschrift voor Ondernemingsrecht. M.A. Verbrugh, L. Timmerman, ‘Het Nederlands enquêterecht in een internationaliserend vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2009, 35.
Ondernemingskamer 8 september 2008, ARO 2008/159, JOR 2009/127 (E-traction).
De toepasselijkheid van het enquêterecht is gekoppeld aan de rechtsvorm. Buitenlandse rechtspersonen, ook als ze alleen activiteiten in Nederland uitoefenen, kunnen dus niet zelfstandig worden onderworpen aan het enquêterecht.1 In de zaak-Citadel overweegt de Ondernemingskamer het volgende: “Hoewel deze opsomming van rechtspersonen niet zonder meer limitatief is te beschouwen (...) heeft te gelden dat de regeling van het recht van enquête niet kan worden uitgeoefend ten aanzien van rechtspersonen die, zoals Citadel, zijn opgericht naar vreemd recht en hun statutaire zetel in het buitenland hebben, ook niet indien deze in Nederland een vestiging of filiaal in standhouden onderscheidenlijk hier te lande hun ondernemingsactiviteiten uitoefenen.”2 In de Zeelandia-beschikking stelt de Hoge Raad zich op hetzelfde standpunt. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat het territorialiteitsbeginsel niet meebrengt dat de onderzoeker geen gegevens mag verzamelen omtrent het beleid van in het buitenland gevestigde rechtspersonen die betrekkingen hebben onderhouden met de rechtspersoon die het voorwerp van de enquête is, indien de verzoeker dat voor het doel van de enquête noodzakelijk acht. Het staat de Ondernemingskamer vrij dergelijke door de onderzoeker verzamelde gegevens te betrekken in haar beantwoording van vragen. Het is de vraag of sprake is van wanbeleid van de rechtspersoon die voorwerp is van enquête, en zo ja, welke van de in art. 2:356 BW bedoelde voorzieningen zij geboden acht.3
Een vakorganisatie kan dus geen zelfstandig enquêteverzoek bij een buitenlandse rechtspersoon indienen. Wel kan het onderzoek zich uitstrekken over een eventuele buitenlandse moedervennootschap en kunnen voorzieningen worden opgelegd jegens de moedervennootschap als aandeelhouder. Ook hiervoor geldt dat de Ondernemingskamer de bevoegde rechter is op grond van de EEX-verordening.4