De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.1:5.1 Inleiding
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383668:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bedrijfsleven wordt steeds internationaler. Buitenlandse ondernemingen en rechtspersonen kunnen zich op grond van de fundamentele vrijheden vrij in Europa vestigen en verplaatsen. Ook zijn veel Nederlandse vennootschappen onderdeel van grote internationale concerns. Een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse medezeggenschapsrecht is het territorialiteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de invloed van Nederlandse medezeggenschapsorganen beperkt is tot (voorgenomen) besluiten over het Nederlandse grondgebied. Er is sprake van spanning: de zeggenschapsuitoefening wordt steeds grensoverschrijdender, terwijl de (Nederlandse) medezeggenschap daarin niet volgt. Het uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ is daarom een probleem in internationale (concern)verhoudingen. In het eerste deel van dit hoofdstuk analyseer ik de wijze waarop de medezeggenschap van Nederlandse werknemers beperkt wordt in internationale (concern)verhoudingen.
De Nederlandse medezeggenschapswetgeving is weliswaar territoriaal beperkt, maar vanuit de Europese Unie komt steeds meer regelgeving op het gebied van medezeggenschap, in het Europese recht aangeduid als “de rol van werknemers”. Medezeggenschap van werknemers wordt in het Europese recht als een grondrecht erkend en in verschillende richtlijnen en verordeningen wordt aandacht besteed aan de rol van werknemers. De Europese Unie stimuleert dat vennootschappen grensoverschrijdende activiteiten ontplooien en zich grensoverschrijdend kunnen verplaatsen – bijvoorbeeld door het mogelijk maken van grensoverschrijdende herstructureringen – maar wil voorkomen dat daardoor medezeggenschap wegvloeit. Dit is niet eenvoudig, en medezeggenschap wordt daarom wel gezien als een ‘barrière’ voor het totstandkomen van EU-regelgeving op het gebied van grensoverschrijdende mobiliteit.
In het tweede deel van dit hoofdstuk beschrijf ik deze regelingen kort en ga ik in op de vraag of deze Europese regelgeving compensatie biedt voor de uitholling van medezeggenschap op nationaal niveau en daardoor meer recht doet aan het uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’, dan wel juist nieuwe mogelijkheden creëert om medezeggenschap van werknemers te omzeilen.
Niet alle vormen van grensoverschrijdende herstructureringen zijn in het Europese recht geharmoniseerd. Zo is er een richtlijn over grensoverschrijdende fusies, maar niet over grensoverschrijdende zetelverplaatsing en grensoverschrijdende omzetting. Uit jurisprudentie volgt dat met een beroep op vrijheid van vestiging dergelijke herstructureringen wel mogelijk zijn. Een medezeggenschapsregeling ontbreekt in dat geval. In het laatste deel van dit hoofdstuk beoordeel ik of lidstaten voorwaarden mogen stellen aan een grensoverschrijdende herstructurering met het doel de medezeggenschap te beschermen.