Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.3.2
5.5.3.2 De zegelregeling
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS305574:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 20, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit OB worden onder zegels begrepen: andere voorwerpen die een soortelijke functie vervullen. Zie ook HR 25 september 1985, nr. 22 539, BNB 1985/334; op grond van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB worden onder waardebonnen begrepen: andere voorwerpen die een soortgelijke functie vervullen.
Zie onderdeel 4.6.5.
Ofschoon de benadering waarin ervan wordt uitgegaan dat een korting op de prijs van het boek wordt verstrekt waarmee als het ware de cd wordt betaald, de theorie van het Kuwait Petroleum-arrest verzoent met een redelijke en binnen doel en strekking van richtlijn en wet passende oplossing, zou je er ook vraagtekens bij kunnen zetten. De modale consument zal in zijn beleving de volle prijs voor de boeken betalen en een cd cadeau krijgen. Ik vraag mij daarom af of het uitgangspunt van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB dat de zegels/bonnen een korting belichamen die wordt gegeven op de vergoeding voor de levering of de dienst waarbij de zegels/bonnen worden verstrekt, correct is. Wellicht zou in het hiervoor beschreven eerste voorbeeld de boekhandelaar de btw-heffing van (19/119 -/- 6/106) x € 20 met succes kunnen bestrijden op grond van de stelling dat art. 21, lid 1, letter b, Uitvoeringsbesluit OB onverbindend is, als zijnde in strijd met art. 8 van de wet, nu het ten onrechte ervan uitgaat dat voor het toegiftartikel (de cd) een vergoeding in rekening is gebracht; de cd is gratis verstrekt. Voor zover ik weet is in de jurisprudentie de verbindendheid van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB nooit ter discussie gesteld. Ik ben er mij overigens van bewust dat in het omgekeerde geval (de goederen en diensten waarbij de zegels/bonnen worden verstrekt vallen onder het algemene tarief en de tegen de ingewisselde zegels/bonnen geleverde goederen of verrichte diensten vallen onder het verlaagde tarief) art. 21 Uitvoeringsbesluit OB gunstig uitpakt voor de ondernemer. Overigens zegt Bijl in zijn aantekening in FED 1990/617 onder HvJ EG 27 maart 1990, zaak C-126/88, (Boots): ‘Naar het mij voorkomt is de Nederlandse regeling op dit punt in overeenstemming met art. 11 Zesde richtlijn. Een bijzonderheid van de Nederlandse regeling is nog dat in gevallen waarin de goederen waarbij de bonnen worden verstrekt en de goederen waarbij de bonnen worden ingewisseld zijn onderworpen aan een verschillend tarief van omzetbelasting, een verrekening van belasting plaatsvindt op grond van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB 1968. Een dergelijke regeling is in art. 11 Zesde richtlijn niet voorzien. Niettemin is de Nederlandse regeling op dit punt rechtsgeldig, nu deze regeling aangemeld is op de voet van art. 27, lid 5, Zesde richtlijn. Dit blijkt uit bijlage I bij Eerste rapport van de Commissie aan de raad inzake de toepassing van het gemeenschappelijk systeem van de BTW (gepubliceerd in Intertax 1984, blz. 117).’
Het komt regelmatig voor dat een ondernemer voor de verstrekking van toegiftartikelen een mechanisme gebruikt met zegels of bonnen.1 De ondernemer verstrekt tegelijkertijd met de levering van goederen en/of het verrichten van diensten zegels of bonnen aan zijn afnemers, die de zegels of waardebonnen kunnen inwisselen tegen goederen en/of diensten. De wijze waarop de btw-heffing in dergelijke gevallen dient te verlopen is in de Nederlandse regelgeving uitgewerkt in art. 21 Uitvoeringsbesluit OB en het Besluit van 5 november 2001, nr. CPP 2001/2160, V-N 2001/60.1.19. Deze regelgeving is sinds 1 januari 2007 (nog) niet aangepast. De volgende voorbeelden verduidelijken de werking van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB:
Voorbeeld 1
Een boekhandel voert een actie waarbij klanten voor iedere besteding van € 20 een bon krijgen. Tegen inlevering van 10 bonnen verstrekt de boekhandel aan de klant een cd met een winkelwaarde van € 20.
Volgens art. 21 Uitvoeringsbesluit OB dient de heffing nu als volgt te verlopen. De boekhandelaar voldoet 6/106 over € 200. Bij de inwisseling van de bonnen is hij verschuldigd (19/119 -/- 6/106) x € 20. De btw die drukt op de aanschaf van de cd kan in aftrek worden gebracht. In feite betekent deze gang van zaken dat de boekhandelaar geacht wordt bij de inlevering van de bonnen een korting te verlenen op de prijs van de boeken (van € 20, zodat hij de daarin begrepen btw terugkrijgt = 6/106 x € 20). Met deze korting koopt de klant een cd; ter zake van de levering van de cd is de boekhandelaar verschuldigd 19/119 x € 20.
Als de bonnen ingewisseld zouden kunnen worden voor een boek met een winkelwaarde van € 20, zou op grond van art. 21, lid 1, letter b 1°, Uitvoeringsbesluit OB de boekhandelaar kunnen volstaan met betaling van 6/106 over € 200.
Voorbeeld 2
Een boekhandel voert een actie waarbij klanten een cd of een boek cadeau krijgen iedere keer als ze voor meer dan € 200 boeken kopen. De winkelwaarde van het geschenk is € 20.
De vraag is nu of volstaan kan worden met (1) voldoening van 6/106 over € 200 en geen voldoening van belasting over € 20, of dat (2) ervan uitgegaan moet worden dat een ‘korting in natura’ op de aanschafprijs van de boeken wordt verleend. De eerste benadering leidt bij de keuze van de klant voor een cd tot een andere uitkomst dan in voorbeeld 1. Art. 21 Uitvoeringsbesluit is niet van toepassing omdat geen sprake is van de inwisseling van zegels. Alleen in de tweede benadering zal zowel verstrekking van een boek als van een cd tot dezelfde uitkomst leiden als in het eerste voorbeeld: bij de verstrekking van de cd heeft de boekhandelaar in verband met de verlening van de korting recht op een vermindering/teruggaaf van 6/106 van € 20; in verband met de levering van de cd wordt hij btw verschuldigd tot een bedrag van 19/119 van € 20; de btw die drukt op de aanschaf van de cd kan de boekhandelaar in aftrek brengen. Bij de verstrekking van het boek heeft de boekhandelaar in verband met de verlening van de korting recht op een vermindering/teruggaaf van 6/106 van € 20; in verband met de levering van het boek wordt hij btw verschuldigd tot een bedrag van 6/106 van € 20; de btw die drukt op de aanschaf van het boek kan de boekhandelaar in aftrek brengen.
In beginsel zou de verstrekking om niet van de cd of het boek in beide voorbeelden op grond van het Kuwait Petroleum-arrest aanleiding moeten geven tot een fictieve levering (tenzij de cd of het boek aangemerkt moet worden als een geschenk van geringe waarde). Dat zou ertoe leiden dat de boekhandelaar over een hoger bedrag btw is verschuldigd dan hij daadwerkelijk ontvangt, waarmee een en ander niet meer ‘Elida Gibbs-conform’ zou zijn.2 Daarom bepleit ik in beide voorbeelden de aanpak van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB, waarbij het geschenk wordt aangemerkt als een korting in natura waarmee de aanschaf van de cd of het boek wordt betaald. Btw-technisch vindt de verstrekking van de cd en het boek dan ook niet meer om niet plaats maar tegen vergoeding. Deze benadering is ook ‘Elida Gibbs-conform’ omdat hij ook als gevolg heeft dat de boekhandelaar btw is verschuldigd over het bedrag dat hij werkelijk van de klant heeft ontvangen (€ 200). Deze door mij bepleite aanpak komt overeen met die welke ik als situatie 2b heb beschreven in onderdeel 4.6.4 hiervoor.3
Weliswaar is het uitgangspunt van art. 21 Uitvoeringsbesluit OB dat de leverancier bij de inwisseling van zegels een korting verleent op zijn primaire prestatie en dat de afnemer deze korting aanwendt voor de ‘betaling’ van het geschenk, maar technisch is art. 21 zodanig vormgegeven dat het alleen tariefsverschillen corrigeert tussen de goederen waarbij zegels, punten e.d. zijn verstrekt en de geschenkartikelen. Daarnaast lijkt art. 21 geschreven voor de situatie dat de afnemers van de leveringen, waarbij de geschenkartikelen (of zegels/bonnen) worden verstrekt, (particuliere) eindverbruikers zijn. Daarom werkt art. 21 niet als correctiemechanisme wanneer de afnemer een aftrekgerechtigde ondernemer is, terwijl de geschenkartikelen in de consumptieve sfeer komen. Dit is de in onderdeel 4.6.4 beschreven situatie 1b. Die doet zich bijvoorbeeld voor bij de levering van brandstof aan berijders van bedrijfsauto’s. De ter zake van de levering van de brandstof in rekening gebrachte btw brengt de ondernemer in aftrek. De door de leverancier van de brandstof verstrekte zegels, punten e.d. worden gespaard door de berijder van de auto, die de zegels, punten e.d. inwisselt tegen geschenken (goederen of diensten). De geschenken zijn bijna altijd goederen of diensten die in de consumptieve (privé)sfeer gebruikt worden. Zonder correctiemechanisme drukt op de geschenkartikelen geen btw.
De volgende in onderdeel 4.6.4 bij de bespreking van situatie 1b al beschreven aanpak zou dit kunnen oplossen. Gesteld zou kunnen worden dat bij de inwisseling van de zegels tegen een geschenk, de leverancier van de brandstof een ‘korting in natura’ verleent op de voor de brandstof in rekening gebrachte prijs. De leverancier heeft dan recht op teruggaaf van de op de vermindering betrekking hebbende btw. Daar staat tegenover dat de afnemer de op de prijsvermindering betrekking hebbende belasting, als hij die in aftrek heeft gebracht, weer verschuldigd wordt. Doordat de afnemer toestaat dat zijn werknemers de zegels behouden en inwisselen geeft hij de korting door aan zijn werknemers die daarmee de geschenkartikelen kunnen ‘betalen’. Op het moment dat de leverancier het geschenkartikel verstrekt aan de werknemer van de afnemer in ruil voor de zegels, verricht hij een levering met als vergoeding een bedrag dat gelijk is aan de verleende korting. Over dit bedrag is de leverancier ter zake van de levering van het geschenkartikel btw verschuldigd naar het voor het geschenkartikel verschuldigde tarief. Deze levering is geen verstrekking om niet in de zin van art. 16 btw-richtlijn, maar een gewone levering tegen vergoeding.