Rb. Rotterdam, 03-08-2022, nr. C/10/620932 / HA ZA 21-543
ECLI:NL:RBROT:2022:7464
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
03-08-2022
- Zaaknummer
C/10/620932 / HA ZA 21-543
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2022:7464, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 03‑08‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2021:11707, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 24‑11‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2022-0273
JERF 2022/169 met annotatie van Mr. drs. J.H. Lieber
JERF Actueel 2022/293
ERF-Updates.nl 2021-0377
JERF Actueel 2021/517
Uitspraak 03‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Verdeling nalatenschap. Broer en zus erfgenaam. Niet voldaan aan stelplicht met betrekking tot onwaardigheid broer. Geen origineel codicil. Schenking sieraden door erflaatster aan kleindochters.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/620932 / HA ZA 21-543
Vonnis van 3 augustus 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats01] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. N.C. Bouman-de Vos te Geldermalsen.
Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” worden genoemd omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het incidenteel vonnis van 24 november 2021;
- -
de conclusie van antwoord in reconventie;
- -
de akte overleggen producties aan de zijde van [eiser] ;
- -
de akte overleggen producties tevens akte vermeerdering van eis aan de zijde van [gedaagde] ;
- -
de mondelinge behandeling van 3 juni 2022.
1.2.
Van de zijde van [gedaagde] zijn nog nadere producties in het geding gebracht op 31 mei 2022. De producties waren bestemd voor de mondelinge behandeling van 3 juni 2022. [eiser] heeft bezwaar gemaakt omdat de producties niet tijdig zijn ingediend. Hierna onder de beoordeling wordt hierop ingegaan.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en de kinderen van wijlen [erflaatster] , geboren op [geboortedatum01] te [geboorteplaats01] , overleden op [overlijdensdatum] te [plaatsnaam] (hierna “erflaatster”).
2.2.
Erflaatster is twee keer gehuwd geweest. Het eerste huwelijk was met de vader van [eiser] en [gedaagde] . Dit huwelijk is ontbonden door echtscheiding. Erflaatster is daarna gehuwd geweest met de heer [naam01] . Dit huwelijk is eveneens ontbonden door echtscheiding. Uit dit tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.
2.3.
Erflaatster heeft bij testament van 19 juni 1990 over haar nalatenschap beschikt.
Erflaatster heeft [eiser] en [gedaagde] benoemd als haar erfgenamen, voor gelijke delen. [eiser] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. [gedaagde] heeft de nalatenschap beneficiair
aanvaard.
2.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben sinds 2013 geen contact meer met elkaar.
2.5.
Tot de nalatenschap behoren banktegoeden bij de Rabobank en de ABN Amro
Bank. Het gaat om de volgende rekeningen:
- [iban_nummer01] (betaalrekening), € 6.473,63 per overlijdensdatum
- [iban_nummer02] (spaarrekening), € 38.513,78 per overlijdensdatum
- [iban_nummer03] (spaarrekening), € 25.721,89 per overlijdensdatum
Daarnaast bestaat de nalatenschap uit inboedel en sieraden van erflaatster.
2.6.
De kosten van de uitvaart van erflaatster bedragen volgens de factuur van [naam02] Uitvaart van 13 november 2019 € 13.466,79. De kosten zijn voldaan uit de nalatenschap. [gedaagde] is niet bij de uitvaart aanwezig geweest.
2.7.
Oostland Notaris te Berkel en Rodenrijs heeft aan de erven van erflaatster een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.761,01. De factuur is betaald door [eiser] . Oostland Notaris heeft vervolgens de factuur gesplitst in een bedrag van € 926,16 voor [eiser] en een bedrag van € 829,88 voor [gedaagde] .
2.8.
[gedaagde] beschikt over een fotokopie van een codicil van erflaatster van 8 mei 1998.
2.9.
[eiser] heeft in of omstreeks mei 2009 van erflaatster een bedrag geleend van
€ 25.000,-. Het bedrag diende in termijnen te worden terugbetaald vermeerderd met rente.
2.10.
In een schriftelijke ondertekende verklaring, voorzien van foto’s, hebben de meerderjarige kinderen van [eiser] als volgt verklaard:
“Middels dit document verklaren wij, [naam03] geboren te [geboorteplaats02] op [geboortedatum02] en [naam04] geboren te [geboorteplaats03] op [geboortedatum03] , beiden dochters van [eiser] , dat wij de sieraden die op de drie fotos van de bijlagen staan, te weten één armband, één ketting, drie ringen, één parelhangertje en één kettingkje met hangertje van onze oma [erflaatster] hebben gekregen als aandenken aan haar.
Zij heeft altijd gezegd dat ze ons iets wilde geven als ze kwam te overlijden.
Zij heeft ons deze sieraden gegeven toen ze wist dat ze niet meer lang te leven had.
We hebben samen met haar de sieraden uitgezocht en hebben die toen van haar gekregen.
Dit was ongeveer een week voordat ze overleed.
(…)”
3 Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – verkort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I) te verklaren voor recht dat:
a. de kosten van de uitvaart ter hoogte van € 13.466,79 een schuld van de nalatenschap is;
b. dat [gedaagde] aan de kopie van het codicil van 8 mei 1998 geen rechten kan ontlenen;
c. dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 829,88 verschuldigd is in verband met de werkzaamheden van notariskantoor Oostland Notaris;
d. althans te verklaren voor recht zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht;
II) de verdeling van de nalatenschap van erflaatster te bevelen, waartoe onder andere behoren sieraden en banktegoeden, de wijze van verdeling in goede justitie vast te stellen en [gedaagde] te veroordelen te gehengen en te gedogen dat de nalatenschap van erflaatster wordt verdeeld op de wijze zoals door de rechtbank zal worden vastgesteld;
III) een onzijdig persoon te benoemen ex artikel 3:181 BW juncto 677 lid 1 en 2 Rv;
IV) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[eiseres] vordert na wijziging van eis - verkort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I) voor recht te verklaren dat het codicil van 8 mei 1998 geldig is en dat op basis daarvan de
sieraden die aan [eiseres] toebedeeld zijn worden afgegeven;
II) voor recht te verklaren dat de kosten van de uitvaart volledig voor rekening van [verweerder] komen, althans voor 25% voor rekening van [eiseres] komen;
III) voor recht te verklaren dat de kosten van de notaris voor rekening van [verweerder] komen met uitzondering van de kosten van verklaring van erfrecht en de beneficiaire aanvaarding die voor rekening van partijen gezamenlijk komen;
IV) voor recht te verklaren dat de kosten van opslag, transport en dergelijke van € 4.075,64 voor rekening van partijen gezamenlijk komen;
V) [verweerder] te veroordelen tot het opstellen van een onderhandse boedelbeschrijving met onderliggende verificatoir bewijsstukken en die boedelbeschrijving ex art. 674 Rv jo 4:78 lid 2 BW onder ede te laten bevestigen;
VI) [eiseres] te machtigen om, conform artikel 3:299 BW, ten laste van [verweerder] , namens [verweerder] :
- bij de relevante banken, in ieder geval Rabobank en Abn Amro Bank, informatie en afschriften op te vragen van de bankrekeningen van erflaatster over de periode vanaf 2009 tot heden, alsmede,
- bij de uitvaartondernemer [naam02] Uitvaart het originele bewijsstuk op te vragen van het formulier 'overdracht persoonlijke bezittingen';
VII) te verklaren voor recht dat de gehele nalatenschap aan [eiseres] toekomt en dat zij enig
erfgenaam is als gevolg van de onwaardigheid van [verweerder] ;
VIII) [verweerder] tot betaling van € 37.983,56, te vermeerderen met 4 % rente vanaf 3 juni 2022, in aan de nalatenschap, althans aan [eiseres] , althans de helft hiervan aan [eiseres] voor het geval [verweerder] niet onwaardig wordt geoordeeld, ter zake de geldlening;
IX) [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 13.466,79 aan de nalatenschap, althans aan [eiseres] , althans de helft hiervan aan [eiseres] voor het geval [verweerder] niet onwaardig zou worden geoordeeld, ter zake de uitvaartkosten;
X) [verweerder] te veroordelen tot afgifte aan [eiseres] van alle in het codicil van 8 mei 1998 genoemde sieraden, voor zover niet reeds in het bezit van [eiseres] ;
XI) [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 2.037,82, zijnde de helft van de door [eiseres] voorgeschoten kosten van ontruiming, transport en opslag van de inboedelgoederen,
XII) met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.
3.5.
[verweerder] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De vordering in conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zodanig met elkaar samen dat deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
4.2.
In de eerste plaats beoordeelt de rechtbank of de producties (51 tot en met 53) van de zijde van [gedaagde] die op 31 mei 2022 zijn ingediend worden toegelaten. Van de zijde van [eiser] is aangevoerd dat hij niet adequaat heeft kunnen reageren op de inhoud ervan omdat de stukken te laat zijn ingediend. Het is juist dat de producties niet binnen de termijn van tien dagen voor de mondelinge behandeling zijn ontvangen. De rechtbank zal de stukken desondanks toelaten. Indien nodig krijgt [eiser] nog gelegenheid op de stukken te reageren.
4.3.
[eiser] vordert de verdeling, althans de wijze van verdeling, van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen. Voordat daartoe kan worden beslist dient eerst te worden vastgesteld wat de exacte omvang van de nalatenschap is. Partijen verschillen op een aantal punten van mening. Hierna worden de geschilpunten besproken en beoordeeld. Eerst beoordeelt de rechtbank echter de meest verstrekkende stelling van [gedaagde] namelijk dat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te genieten. Als dat komt vast te staan dan behoeft al het overige immers geen beoordeling.
Onwaardigheid
4.4.
In artikel 4:3 lid 1 sub e BW is bepaald dat van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst. Volgens [gedaagde] doet dat zich hier voor. Zij stelt dat [eiser] het origineel van het codicil van 8 mei 1998 heeft verduisterd of vernietigd. [gedaagde] voert ter onderbouwing van haar stelling aan dat het originele codicil al die tijd door erflaatster in haar secretaire is bewaard. [eiser] heeft tot 5 december 2019 als enige vrije toegang tot de woning van erflaatster gehad en was dus in de gelegenheid het codicil te vernietigen of te verduisteren. [eiser] betwist dat hij het codicil heeft vernietigd of verduisterd. Hij kende het codicil niet en heeft het niet in de woning van erflaatster aangetroffen.
4.5.
Een codicil waar het hier om gaat kan worden aangemerkt als een uiterste wil. Als [eiser] het codicil heeft vernietigd of verduisterd dan is hij van rechtswege onwaardig. Het is [gedaagde] die voldoende moet stellen en indien nodig moet bewijzen dat [eiser] het codicil heeft vernietigd of verduisterd. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. De enkele omstandigheid dat het originele codicil er niet meer is en [eiser] de gelegenheid had het codicil te vernietigen of te verduisteren betekent nog niet dat [eiser] dat ook heeft gedaan. [gedaagde] had dus concrete feiten of omstandigheden moeten aanvoeren om haar stelling nader te onderbouwen. Nu is slechts sprake van vermoedens die met name gebaseerd zijn op wantrouwen. Van belang is ook dat het hier gaat om een codicil dat meer dan 20 jaar geleden is opgesteld. Sinds die tijd is er, zoals [gedaagde] in haar conclusie van antwoord uitgebreid heeft omschreven, veel gebeurd binnen de familie en zijn de familieverhoudingen verstoord geraakt. [gedaagde] had geen of beperkt contact met erflaatster. Het contact was in elk geval zo minimaal dat erflaatster [gedaagde] niet heeft ingelicht over haar ziekte. In dat licht bezien is het niet ondenkbaar dat erflaatster op enig moment het codicil heeft vernietigd zonder daarvan mededeling te doen aan [gedaagde] . Wel valt [eiser] te verwijten dat hij, voordat hij [gedaagde] had ingelicht over het overlijden van erflaatster, al in de woning van erflaatster is geweest. Hij had daarmee de gelegenheid dat te doen waarvan [gedaagde] hem nu beschuldigd. In het minste geval is dat niet handig geweest van [eiser] . Dat zijn handelen bij [gedaagde] wantrouwen heeft gewekt is daarom goed voorstelbaar. Het is echter onvoldoende om [gedaagde] toe te laten tot het leveren van bewijs. Zoals al overwogen mist haar vordering voldoende onderbouwing. De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat [eiser] het originele codicil heeft verduisterd of vernietigd zodat de rechtbank dit onderdeel van de vordering van [gedaagde] zal afwijzen.
Codicil 8 mei 1998
4.6.
Zoals hiervoor in het kader van de gestelde onwaardigheid is overwogen blijkt niet dat [eiser] het origineel van het codicil van 8 mei 1998 heeft vernietigd of verduisterd. [gedaagde] heeft het originele codicil evenmin aangetroffen in de boedel. De rechtbank stelt daarom vast dat er geen origineel van het codicil is. Omdat alleen een origineel van een codicil rechtsgeldig is kan [gedaagde] geen rechten ontlenen aan de kopie die zij in haar bezit heeft, noch kan zij afgifte vorderen van de in de kopie genoemde sieraden. De in dit verband gevorderde verklaring voor recht van [gedaagde] wordt afgewezen. Dit houdt tevens in dat de verklaring voor recht van [eiser] wordt toegewezen.
Uitvaartkosten
4.7.
De kosten van de uitvaart bedroegen € 13.466,79. De kosten van de uitvaart behoren op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW tot de schulden van de nalatenschap en dienen dus uit de nalatenschap te worden voldaan. Met een beroep op artikel 6:2 lid 2 BW stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de uitvaartkosten in dit geval voor rekening van [eiser] moeten komen. Zij is niet op de hoogte gesteld van het overlijden van erflaatster noch is zij op enige wijze betrokken geweest bij de uitvaart. Ook is zij niet vermeld in de openbare kennisgeving.
4.8.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [gedaagde] niet betrokken is geweest bij (het regelen van) de uitvaart maar dat is in dit geval onvoldoende aanleiding de kosten voor rekening van [eiser] te laten komen. Het gaat om kosten die zijn gemaakt voor en rondom de uitvaart van erflaatster. Er is niet gebleken dat de uitvaart niet volgens de wens van erflaatster is uitgevoerd of dat bepaalde elementen van de uitvaart vooral in het belang van [eiser] zouden zijn geweest. Voor wat betreft de afwezigheid van [gedaagde] bij de uitvaart geldt dat niet kan worden vastgesteld of erflaatster dat zo heeft gewild. In het licht van de eerdergenoemde omstandigheden is dit echter niet onaannemelijk. Dit leidt tot de slotsom dat de kosten van de uitvaart terecht ten laste van de nalatenschap zijn gebracht. De gevorderde verklaring voor recht van [eiser] wordt daarom toegewezen. De vordering van [gedaagde] wordt op dit onderdeel afgewezen.
Notariskosten
4.9.
Omdat [gedaagde] de erfenis beneficiair heeft aanvaard zijn beide erfgenamen vereffenaar geworden. Zij konden alleen samen de notaris opdracht geven werkzaamheden ten behoeve van de nalatenschap te verrichten om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen. In dit geval staat vast dat partijen de notaris niet gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden. Dit betekent dat degene die de opdracht tot bepaalde werkzaamheden heeft verstrekt degene is die voor die werkzaamheden dient te betalen, tenzij het gaat om werkzaamheden die uitdrukkelijk ten behoeve van de nalatenschap of van de erven tezamen zijn verricht, zoals een verklaring van erfrecht. In dat geval moeten die kosten tussen partijen worden verdeeld. De notaris heeft reeds een splitsing van de werkzaamheden gemaakt. [gedaagde] is het met die splitsing niet eens. Zij is van mening dat zij alleen de helft van de kosten van de verklaring van erfrecht en beneficiaire aanvaarding hoeft te voldoen. De rechtbank overweegt dat de splitsing door de notaris echter is geschied op de wijze zoals hiervoor beschreven. De kosten zijn tussen de erven verdeeld waar het gaat om werkzaamheden ten behoeve van de nalatenschap en de overige kosten zijn toegerekend aan degene ten behoeve van wie deze zijn verricht.
4.10.
De rechtbank volgt [gedaagde] dus niet in haar standpunt dat de meerkosten, de rechtbank begrijpt dat daarmee wordt bedoeld de kosten van communicatie tussen de notaris en [gedaagde] , voortvloeien uit de omstandigheid dat [eiser] niet met [gedaagde] wilde communiceren en daarom voor rekening van [eiser] dienen te komen. Dat de communicatie via de notaris is verlopen is nu eenmaal het gevolg van de onmin tussen partijen en komt niet in overwegende mate ten laste van de een of de ander. De door de notaris reeds gemaakte splitsing van de kosten wordt dan ook gevolgd. Dit betekent dat de in dit verband gevorderde verklaring voor recht van [eiser] zal worden toegewezen. De verklaring voor recht van [gedaagde] op dit punt wordt afgewezen.
Kosten ontruiming, transport, opslag inboedel
4.11.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de kosten van de opslag en afvoer van de inboedel uit de woning van erflaatster, een bedrag van € 4.075,64, door de erven gezamenlijk dienen te worden voldaan. Door het handelen van [eiser] heeft [gedaagde] ervoor gekozen de inboedel op te slaan. Zij wilde de inboedel doornemen en controleren. Dit waren noodzakelijke kosten, aldus [gedaagde] . [eiser] is van mening dat de kosten geheel voor rekening van [gedaagde] komen. Hij heeft van meet af aan aangegeven niets van de inboedel te hoeven. Hij heeft niet ingestemd met de opslag.
4.12.
Zoals eerder al overwogen heeft [eiser] de woning van erflaatster al betreden terwijl [gedaagde] nog niet op de hoogte was van het overlijden van erflaatster. Dat kan wantrouwen bij [gedaagde] hebben gewekt. Onder die omstandigheden valt begrip op te brengen voor het standpunt van [gedaagde] dat zij zich genoodzaakt zag de inboedel op te slaan zodat zij die kon doornemen en controleren. De rechtbank acht het daarom redelijk en billijk deze kosten tussen partijen te verdelen. [eiser] betwist verder de hoogte van de gestelde kosten. Volgens [eiser] is het totaal van alle bedragen van productie 33 en 34 (bij de conclusie van antwoord, eis in reconventie) bij elkaar € 3.940,14. Omdat laatstgenoemd bedrag verder niet is betwist van de zijde van [gedaagde] komt de helft van dit bedrag, € 1.970,07, voor rekening van [eiser] . [gedaagde] vordert zowel een verklaring voor recht als een veroordeling van [eiser] tot betaling van dit bedrag. In het kader van de afwikkeling tussen partijen en de mogelijkheid dit bedrag te verrekenen met wat ieder toekomt uit de nalatenschap zal nu alleen de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.
Lening erflaatster aan [eiser]
4.13.
[gedaagde] vordert [eiser] te veroordelen aan de nalatenschap uit hoofde van de lening een bedrag van € 37.983,56 met rente te betalen. [eiser] stelt dat de lening volledig is terugbetaald. [gedaagde] betwist dit.
4.14.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] in 2009 een bedrag van € 25.000,- heeft geleend van erflaatster. Onder verwijzing naar het tussenvonnis van 24 november 2021 is het aan [eiser] om zijn stelling te bewijzen dat de geldlening is terugbetaald. [eiser] heeft in zijn conclusie van antwoord in het incident gesteld dat hij in de hoofdzaak het bewijs van de (terug)betaling zal overleggen. [eiser] heeft vervolgens van iedere aflossing van € 500,- een bankafschrift overgelegd. Alle betalingen bij elkaar opgeteld gaat het om een bedrag van
€ 27.500,-. Dat is het geleende bedrag met 4% rente.
[gedaagde] zet ondanks de getoonde bankafschriften nog altijd vraagtekens bij de betalingen. Zij kan die niet vergelijken met de afschriften van haar moeder omdat de bank (nog) geen toestemming heeft gegeven die in te zien en de ib-aangifte stemt volgens haar niet overeen met de aflossingen. De rechtbank acht met de getoonde afschriften echter voldoende aangetoond dat de geldlening van erflaatster aan [eiser] volledig, met rente, is terugbetaald door [eiser] . Niet valt in te zien waarom moet worden getwijfeld aan de betalingen en de getoonde bankafschriften als zodanig. Bovendien is nog maar de vraag of [gedaagde] bij de bank inzage kan krijgen in bankafschriften uit 2009. Aan de aangehaalde ib-aangifte kan tegenover de bankafschriften onvoldoende betekenis worden toegekend. De vordering van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.
Machtiging [gedaagde] informatie bij banken opvragen
4.15.
In het vonnis in het incident van 24 november 2022 is [eiser] veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de inzage in de bankrekeningen van erflaatster. [eiser] heeft zijn medewerking verleend maar dit heeft nog niet tot het voor [gedaagde] gewenste resultaat geleid. Zij vordert daarom haar te machtigen ten laste van [eiser] , namens [eiser] , bij de banken informatie en afschriften op te vragen van de bankrekeningen van erflaatster over de periode vanaf 2009 tot heden. Van de zijde van [eiser] is in beginsel geen bezwaar tegen dit onderdeel van de vordering. Hij benadrukt echter dat een aanhouding van de procedure volgens hem niet gewenst is.
4.16.
Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen. Een aanhouding van de procedure in afwachting van de uitkomst van de controle van de bankafschriften door [gedaagde] acht de rechtbank niet nodig. [gedaagde] wenst kennelijk een aantal zaken te controleren, maar concrete aanwijzingen dat dit gevolgen zal hebben voor de verdeling van de nalatenschap bestaan er niet.
4.17.
Voor wat betreft de machtiging om bij [naam02] Uitvaart het originele bewijsstuk op te vragen van de goederen die na het overlijden door de uitvaartondernemer zijn afgegeven (het formulier “overdracht persoonlijke bezittingen”) geldt dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat van de zijde van [eiser] hiertegen geen bezwaar bestaat. [gedaagde] is inmiddels namelijk bekend met de begraafplaats van erflaatster. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen erop gewezen hierover nadere afspraken te maken. Ook hier geldt dat geen concrete aanwijzingen bestaan dat dit gevolgen kan hebben voor de verdeling van de nalatenschap zodat de procedure in verband hiermee niet wordt aangehouden.
Aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2019
4.18.
De belastingaangifte 2019 is gedaan. Er hoeft niets te worden bij- of terugbetaald. Er is alleen een teruggave geweest van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ)
van € 99,-. [gedaagde] heeft aangevoerd dat dit bedrag is overgemaakt naar de ervenrekening. Dit is door [eiser] niet betwist zodat dit geen punt van discussie meer is.
Sieraden
4.19.
Tot de nalatenschap behoren sieraden van erflaatster die moeten worden verdeeld. [gedaagde] beroept zich op de afgifte van de sieraden als beschreven in het codicil van 8 mei 1998. De rechtbank heeft al geoordeeld dat [gedaagde] geen rechten kan ontlenen aan de kopie van het codicil. Welke van de sieraden die in de kopie van het codicil zijn beschreven nog in het bezit van erflaatster waren toen zij overleed valt onmogelijk met zekerheid vast te stellen. Partijen verschillen hierover van mening en een recente opgave is niet voorhanden.
4.20.
Gebleken is dat [gedaagde] in elk geval een deel van de sieraden onder zich houdt. Volgens [gedaagde] zijn dat de sieraden die zij bij de inboedel heeft aangetroffen. Die sieraden kunnen wat [eiser] betreft aan [gedaagde] worden toebedeeld. Volgens [eiser] moet daar een bedrag van € 5.000,- tegenover staan wegens de overbedeling aan [gedaagde] . Het gaat om een geschatte waarde, aldus [eiser] . [gedaagde] voert aan dat het om bijouterieën gaat die weinig waarde vertegenwoordigen en die voor haar ook weinig emotionele waarde hebben. Het komt de rechtbank voor dat deze sieraden voor geen van partijen erg belangrijk zijn. De sieraden bevonden zich kennelijk tussen de inboedel waarvan [eiser] heeft verklaard daar geen belangstelling voor te hebben. De rechtbank zal de sieraden die [gedaagde] nu onder zich houdt aan [gedaagde] toebedelen. Gelet op dat standpunt van [eiser] komt het de rechtbank niet redelijk voor een bedrag tegenover de sieraden te stellen, temeer nu iedere onderbouwing van de waarde van deze sieraden ontbreekt.
4.21.
[eiser] erkent op zichzelf genomen dat er nog andere sieraden waren maar die zijn volgens [eiser] door erflaatster kort voor haar overlijden aan zijn dochters geschonken. Er zijn foto’s van deze sieraden overgelegd. Het gaat om zeven sieraden (omschrijving overgenomen uit productie 16 conclusie van antwoord incident):
1. armband (foto 1)
1. ketting (foto 2)
3 ringen, 1 parelhangertje en 1 ketting met hangertje (foto 3)
4.22.
De rechtbank overweegt dat voldoende vaststaat dat erflaatster de zeven sieraden aan haar kleindochters heeft geschonken. De verklaringen van de kleindochters zijn daartoe voldoende overtuigend, althans door [gedaagde] zijn daar tegenover onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die aanleiding geven te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen en de stellingen van [eiser] op dit punt. Zij voert slechts aan dat [eiser] wisselende verklaringen heeft afgelegd. Heel concreet is dit echter niet gemaakt door [gedaagde] . Het had op haar weg gelegen die verklaringen expliciet te benoemen en tot welke conclusies, en dus twijfels, dat volgens haar zou moeten leiden. Dit heeft zij niet gedaan zodat dit te vaag blijft en een en ander slechts lijkt te berusten op vermoedens. Dit betekent dat de zeven sieraden niet meer tot de nalatenschap behoren.
4.23.
Ten slotte stelt [eiser] dat er een aantal sieraden is mee begraven. [gedaagde] trekt dit in twijfel omdat erflaatster is begraven op een natuurbegraafplaats en sieraden in dat geval niet mogen worden mee begraven. Op een kopie van het “formulier persoonlijke bezittingen” is vermeld om welke sieraden het gaat. De kopie is tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van [eiser] getoond aan [gedaagde] . [gedaagde] voert aan dat met dat stuk is geknoeid. Dat is ook de reden dat zij het origineel wenst te zien. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.17 van dit vonnis. Het is vooralsnog niet aannemelijk dat met het formulier is geknoeid zodat er vanuit wordt gegaan dat de sieraden die zijn vermeld op het formulier daadwerkelijk zijn mee begraven. Overigens merkt de rechtbank nog op dat haar niet bekend is om welke sieraden het precies gaat. Het stuk is door geen van partijen overgelegd.
4.24.
Dat er ten tijde van het overlijden van erflaatster nog andere sieraden aanwezig dan hiervoor besproken is onvoldoende gebleken. Het gaat dus alleen om de sieraden die [gedaagde] onder zich houdt en die aan [gedaagde] zullen worden toebedeeld.
Inboedel
4.25.
[eiser] heeft verklaard geen belangstelling te hebben voor de inboedel. Voor zover de inboedel niet al is afgevoerd wordt die aan [gedaagde] toebedeeld.
Onderhandse boedelbeschrijving
4.26.
De rechtbank kan geen onderhandse boedelbeschrijving bevelen. Overigens geldt voor het onder ede verklaren dat het door [gedaagde] aangehaalde artikel ziet op de belangen van een legitimaris. Dit deel van de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.
Benoeming onzijdig persoon ex artikel 3:181 BW
4.27.
Er bestaat vooralsnog onvoldoende aanleiding tot de benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Bovendien is door [gedaagde] toegezegd dat zij zal meewerken aan de verdeling zoals gelast door de rechtbank.
Verdeling
4.28.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van erflater vast als hierna onder de beslissing staat vermeld, waarbij aan beide partijen een gelijk deel zal toekomen van het saldo op de bankrekeningen van erflaatster.
Proceskosten
4.29.
Gezien de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de kosten van de uitvaart van erflaatster van € 13.466,79,
een schuld van de nalatenschap van erflaatster betreffen en ten laste dienen te komen van de
nalatenschap van erflaatster;
5.2.
verklaart voor recht dat aan de fotokopie van het codicil van 8 mei 1998 van erflaatster
door [gedaagde] geen rechten kunnen worden ontleend;
5.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 829,88 verschuldigd is omdat de werkzaamheden en kosten, die bij de factuur van 6 februari 2020 door notariskantoor Oostland Notaris bij [gedaagde] in rekening zijn gebracht, voor haar rekening komen;
5.4.
stelt de verdeling van de nalatenschap vast erflaatster als volgt vast:
bepaalt dat aan partijen een gelijk deel toekomt van het saldo van de navolgende rekeningen, waarop in mindering strekt de factuur van de uitvaartkosten ter hoogte van € 13.466,79, [iban_nummer01] (betaalrekening), [iban_nummer02] (spaarrekening) en [iban_nummer03] (spaarrekening);
bepaalt dat de sieraden van erflaatster die [gedaagde] onder zich houdt worden toebedeeld aan [gedaagde] ;
bepaalt dat (het restant van) de inboedel aan [gedaagde] wordt toebedeeld;
i n reconventie,
5.5.
verklaart voor recht dat de kosten van opslag, transport en dergelijke van
€ 3.940,14 voor rekening van partijen gezamenlijk komen;
5.6.
verleent machtiging aan [eiseres] om, conform artikel 3:299 BW, ten laste van [verweerder] , namens [verweerder] bij de relevante banken, in ieder geval Rabobank en ABN Amro Bank, informatie en afschriften op te vragen van de bankrekeningen van erflaatster over de periode vanaf 2009 tot heden;
in conventie en in reconventie,
5.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen- Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.
3549/1316
Uitspraak 24‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Incident ex artikelen 843a en 843b Rv. Partijen zijn broer en zus en allebei erfgenaam in de nalatenschap van hun moeder. De zus wil meer gegevens hebben van haar broer. De artikelen 843a en 843b Rv zien niet op het verstrekken van de originele stukken. Veroordeling broer om medewerking te verlenen aan het krijgen van inzage in de bankrekeningen van moeder.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/620932 / HA ZA 21-543
Vonnis in incident van 24 november 2021
in de zaak van
[naam eiser 1] , in persoon en in hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam,
tegen
[naam gedaagde] , in persoon en in hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. S.J. Kerbusch te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [naam eiser 1] en [naam gedaagde] genoemd worden, omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de akte houdende overlegging producties van [naam eiser 1] ;
de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering tevens eis in reconventie, met producties;
de conclusie van antwoord in incident, met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil in het incident
2.1.
Op 31 oktober 2019 is te [plaatsnaam] overleden [naam erflaatster] , geboren op [geboortedatum erflaatster] te [geboorteplaats erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster was de moeder van [naam verweerder] en [naam eiser 2] . [naam verweerder] en [naam eiser 2] zijn volgens het testament van erflaatster van 19 juni 1990 samen de erfgenamen van erflaatster.
2.2.
De hoofdzaak ziet met name op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.
2.3.
[naam eiser 2] heeft in het incident gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [naam verweerder] te veroordelen om de volgende stukken aan [naam eiser 2] te verstrekken c.q. de aanwezigheid (van de onder n) te kunnen constateren:
- a.
Origineel bewijsstuk van de goederen die na het overlijden door de uitvaartonderneming zijn afgegeven en waarvoor de partner van [naam verweerder] heeft getekend (het formulier “overdracht persoonlijke bezittingen”);
- b.
Origineel codicil;
- c.
Dagafschrift van de overboeking van € 25.000,- op 9 juni 2009 waarop alle andere transacties van die dag ook op zijn weergegeven;
- d.
Bewijsstukken, bankafschriften van [naam verweerder] en/of erflater waarop de aflossingen van de lening en betaling van de verschuldigde rente blijkt;
- e.
Bewijsstukken van welk bedrag is overgemaakt naar RBS, op wiens naam die rekening staat/stond en het hoe verloop van het saldo is geweest;
- f.
Bankafschriften van alle rekeningen van erflaatster over de periode zeven jaar voor het overlijden tot heden;
- g.
Alle sieraden die [naam verweerder] in bewaring heeft (of zoals [naam verweerder] het noemt: aan hem gegeven zijn op sterfbed),
en wel binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis en onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [naam verweerder] daarmee in gebreke blijft;
II. Althans ten aanzien van de hiervoor vermelde sub c t/m f: [naam verweerder] te veroordelen tot medewerking aan inzage in de bankrekeningen van erflaatster zoals verzocht bij brief aan mr. Stut van 29 juni 2021 (productie 27), en wel binnen twee weken na het vonnis en onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [naam verweerder] daarmee in gebreke blijft.
2.4.
[naam eiser 2] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij als erfgenaam recht heeft op inzage en afschrift van de administratie van erflaatster en wil bekijken of zij een aanvullend beroep op haar legitieme portie kan doen.
2.5.
[naam verweerder] heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd. Op de stellingen van zijn verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
3. De beoordeling in het incident
3.1.
De rechtbank begrijpt dat [naam eiser 2] haar vordering heeft gegrond op de artikelen 843a en 843b Rv.
Artikel 843a Rv ziet niet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien degene van wie inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden wordt gevorderd deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft en daarnaast voldaan is aan alle in het eerste lid van dat artikel genoemde voorwaarden, te weten 1) de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben, 2) de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en 3) bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.
Artikel 843b Rv bepaalt dat hij die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden onder zijn berusting heeft, kan vorderen daarvan te zijnen behoeve op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
3.2.
Volgens [naam verweerder] heeft [naam eiser 2] geen rechtmatig belang bij haar vordering. De rechtbank volgt [naam verweerder] daarin niet. [naam eiser 2] is als erfgenaam deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij over en weer recht hebben op informatie over de omvang en samenstelling van de nalatenschap (artikel 3:166 lid 3 BW). Hieruit volgt dat op een erfgenaam de verplichting rust aan zijn mede-erfgenamen inzage te geven in de gegevens die hij onder zich heeft, voor zover die mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken. De te verstrekken informatie moet zo ruim mogelijk worden uitgelegd (zie ook Hof ’s-Hertogenbosch, 13 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2192). Het rechtmatig belang is daarom gegeven naar het oordeel van de rechtbank. Hieronder zal echter beoordeeld worden of de gevorderde stukken ook kunnen worden toegewezen.
a. Origineel bewijsstuk van de goederen die na het overlijden door de uitvaartonderneming zijn afgegeven en waarvoor de partner van [naam verweerder] heeft getekend (het formulier “overdracht persoonlijke bezittingen”) en
b. Origineel codicil
3.3.
[naam eiser 2] wenst het originele formulier van de overdracht persoonlijke bezittingen van [naam uitvaartondernemer] te ontvangen, omdat volgens haar is geknoeid met de kopie die zij heeft ontvangen van [naam verweerder] . De volledige linker kantlijn van het formulier is volgens [naam eiser 2] weggelaten uit de kopie en daarnaast is het niet logisch dat bij een natuurbegrafenis drie ringen en twee armbanden in de kist zijn meegenomen. [naam eiser 2] heeft het vermoeden dat er dingen zijn weggelakt op de kopie en wil daarom graag het originele formulier hebben.
[naam eiser 2] is daarnaast van mening dat [naam verweerder] het originele codicil van 8 mei 1998 heeft waarin erflaatster haar sieraden aan [naam eiser 2] toebedeelt. Erflaatster bewaarde dit codicil in haar secretaire en [naam verweerder] had tot 5 december 2019 als enige de vrije toegang tot de woning, zodat hij het moet hebben meegenomen, aldus [naam eiser 2] .
3.4.
De vordering van [naam eiser 2] ziet op het verstrekken door [naam verweerder] van originele stukken. De artikelen 843a en 843b Rv zien echter op het krijgen van inzage, een afschrift of een uittreksel van bescheiden en niet op het verstrekken van originele stukken. [naam eiser 2] heeft ook niet gesteld op grond van welk artikel [naam verweerder] wel veroordeeld moet worden om deze originele stukken aan [naam eiser 2] af te geven. Op grond van artikel 22 Rv zou de rechtbank [naam verweerder] misschien kunnen veroordelen om originele stukken over te leggen, maar dan moet wel vaststaan dat [naam verweerder] deze stukken tot zijn beschikking heeft. En dit laatste heeft [naam verweerder] gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet daarom onvoldoende gronden om [naam verweerder] te veroordelen deze originele bescheiden aan [naam eiser 2] te verstrekken, zodat de verstrekking van de onder a. en b. gevorderde stukken wordt afgewezen.
c. Dagafschrift van de overboeking van € 25.000,- op 9 juni 2009 waarop alle andere transacties van die dag ook op zijn weergegeven en
e. Bewijsstukken van welk bedrag is overgemaakt naar RBS, op wiens naam die rekening staat/stond en het hoe verloop van het saldo is geweest
3.5.
Aan de onder c. en e. gevorderde stukken heeft [naam eiser 2] ten grondslag gelegd dat [naam verweerder] geld heeft geleend van erflaatster zoals uit de geldleningsovereenkomst van 14 mei 2009 volgt. Uit de bankopdracht van 9 juni 2019 blijkt dat € 25.000,- moest worden overgeboekt naar [naam verweerder] en de rest naar RBS. Volgens [naam eiser 2] wordt met RBS bedoeld de Royal Bank of Scotland. Voor zover [naam eiser 2] weet had erflaatster hier geen bankrekening. Zij wil graag uit het bankafschrift van 9 juni 2009 opmaken waar dit restantbedrag naar toe is geboekt.
3.6.
Volgens [naam verweerder] kan RBS ook de afkorting zijn van Rabobankspaarrekening die erflaatster wel bezat. [naam verweerder] heeft ontkend over deze bescheiden te beschikken. Gelet op de datum en de bewaartermijn van de banken is ook het niet aannemelijk dat [naam verweerder] deze bankafschrift(en) nog kan opvragen. Bovendien is de vordering onder e. onvoldoende bepaald, omdat onduidelijk is waarop RBS ziet. Om deze redenen worden de onder c. en e. gevorderde stukken afgewezen.
d. Bewijsstukken, bankafschriften van [naam verweerder] en/of erflater waarop de aflossingen van de lening en betaling van de verschuldigde rente blijkt
3.7.
[naam eiser 2] wil graag weten of [naam verweerder] de geldlening van erflaatster heeft terugbetaald en de verschuldigde rente betaald heeft. De rechtbank is met [naam verweerder] van oordeel dat het op de weg van [naam verweerder] ligt om zijn stelling te bewijzen dat de geldlening is terugbetaald en de rente betaald is. [naam verweerder] heeft in zijn conclusie van antwoord in het incident gesteld dat hij in de hoofdzaak in de conclusie van antwoord in reconventie het bewijs van de (terug)betaling zal overleggen, zodat [naam eiser 2] thans onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het onder d. gevorderde.
f. Bankafschriften van alle rekeningen van erflaatster over de periode zeven jaar voor het overlijden tot heden
3.8.
Volgens [naam eiser 2] heeft zij belang bij het verkrijgen van de bankafschriften om te bezien of erflaatster schenkingen heeft gedaan en zij een aanvullend beroep kan doen op haar legitieme portie.
3.9.
[naam verweerder] heeft reeds een groot aantal bankafschriften verstrekt en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet meer bankafschriften tot zijn beschikking heeft en [naam eiser 2] geen belang heeft bij het verstrekken van meer bankafschriften. De rechtbank is van oordeel dat [naam eiser 2] als mede-erfgenaam weldegelijk belang heeft bij de bankafschriften. [naam verweerder] stelt deze echter niet te hebben. Het is de vraag of [naam verweerder] de bankafschriften zelf als erfgenaam kan opvragen, omdat als dat het geval was [naam eiser 2] , immers ook erfgenaam, dat zelf had kunnen doen. Uit de brief met bijlagen die als productie 27 bij de conclusie van antwoord is overgelegd blijkt voldoende dat [naam eiser 2] de bankafschriften niet zelf kan opvragen. Daarnaast is het de vraag of de bankafschriften gelet op de bewaarplicht van zeven jaar nog over de periode van zeven jaar voor het overlijden van erflaatster beschikbaar zijn, want erflaatster is al twee jaar geleden overleden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de primaire vordering tot afgifte af te wijzen, maar de subsidiaire vordering van [naam eiser 2] toe te wijzen en [naam verweerder] te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan inzage in de bankrekeningen van erflaatster zoals verzocht aan mr. Stut bij brief van 29 juni 2021 (productie 27 bij de conclusie van antwoord). Als er aan deze inzage kosten zijn verbonden, dan dienen deze gelet op artikel 843a Rv voor rekening van [naam eiser 2] te komen. Omdat [naam verweerder] hieraan eerder niet wilde meewerken zal de rechtbank hieraan een dwangsom verbinden van € 100,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat [naam verweerder] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.000,-.
g. Alle sieraden die [naam verweerder] in bewaring heeft (of zoals [naam verweerder] het noemt: aan hem gegeven zijn op sterfbed)
3.10.
Partijen verschillen van mening over de vraag of het codicil van erflaatster nog bestaat en niet door erflaatster is vernietigd en over de vraag of erflaatster op haar sterfbed een aantal sieraden aan [naam verweerder] en zijn dochters heeft geschonken. De rechtbank begrijpt niet wat [naam eiser 2] met het gevorderde onder g. heeft beoogd. Artikel 843a en 843b Rv zien immers op inzage, afgifte of uittreksel van bescheiden en niet op roerende zaken. Evenmin heeft [naam eiser 2] een andere grondslag gesteld. De vraag welke sieraden tot de nalatenschap behoren en aan wie welke sieraden worden toebedeeld komt in de hoofdzaak aan de orde. Er bestaat derhalve geen grond om het gevorderde onder g. toe te wijzen.
Proceskosten
3.11.
Nu partijen broer en zus zijn, ziet de rechtbank voldoende redenen om de proceskosten in dit incident te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Hoofdzaak
3.12.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling gelasten in de hoofdzaak. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om daarvoor hun verhinderdata door te geven. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen. [naam eiser 1] mag uiterlijk veertien dagen voor de mondelinge behandeling zijn conclusie van antwoord in reconventie indienen.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
veroordeelt [naam verweerder] om binnen twee weken na dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan [naam eiser 2] aan de inzage in de bankrekeningen van erflaatster zoals verzocht bij brief van 29 juni 2021 aan mr. Stut (productie 27 bij de conclusie van antwoord), op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat [naam verweerder] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.000,-;
verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de hoofdzaak
bepaalt dat partijen op een nader te bepalen datum en tijd moeten verschijnen op de mondelinge behandeling ten overstaan van de hierna de noemen rechter. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Dordrecht aan de Steegoversloot 36;
verwijst de zaak naar de rol van 8 december 2021 voor het opgeven van hun verhinderdata voor de dan komende drie maanden;
bepaalt dat indien [naam eiser 1] een conclusie van antwoord in reconventie wenst te nemen, hij deze uiterlijk veertien dagen voor de zitting aan de rechtbank en de wederpartij dient toe te zenden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2021.
3120