Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.2
3.3.2 Toegang tot de enquêteprocedure: moeder-dochterverhoudingen
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461965:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk ook art. 2: 351 lid 2 BW: de OK kan de onderzoekers op hun verzoek machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van een rechtspersoon die nauw verbonden is met de rechtspersoon ten aanzien waarvan het onderzoek plaatsvindt. Deze bepaling staat toe dat op de aangegeven wijze ‘het onderzoek wordt uitgebreid tot’ (woorden uit de MvT bij art. 53b WvK, voorloper van art. 2: 351 BW) andere, nauw verbonden rechtspersonen, dit vanwege het vermoeden dat een onderzoeker zich pas dan een juist beeld kan vormen van het beleid en de gang van zaken in de vennootschap waar een onderzoek is gelast, indien hij tevens inzicht heeft in de situatie van ‘geaffilieerde’ vennootschappen. Het is echter niet de bedoeling, zo volgt uit art. 2: 351 lid 2 BW, ook het beleid en de gang van zaken van die nauw verbonden vennootschappen formeel aan een onderzoek te onderwerpen, voor recht te verklaren dat ook bij die vennootschappen wanbeleid is gevoerd en eventueel voorzieningen te treffen. Zie in deze zin eveneens: Boukema (Rechtspersonen), art. 2: 351, aant. 3; Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 522-523 en 530.
De Haan Beheer en haar zes Nederlandse 100%-dochters zijn failliet verklaard, onder benoeming van Hamm als curator bij alle genoemde vennootschappen.
OK 20 november 1997, JOR 1998, 25 (De Haan Beheer). De OK heeft geoordeeld dat de curator op grond van art. 2: 346 sub a (bedoeld zal zijn sub b, FV) bevoegd is een verzoek tot het instellen van een onderzoek bij de dochters van De Haan Beheer in te dienen omdat hij de aandeelhoudersrechten van de vennootschap in haar dochters uitoefent en aldus ten minste een tiende gedeelte van het geplaatst kapitaal in die dochters vertegenwoordigt (r.o. 3.4).
HR 19 mei 1999, NJ 1999, 670, r.o. 4.2.1 (zaak 69-II) en NJ 1999, 671, r.o. 4.2 (zaak 69-I) (De Haan Beheer, m.nt. Maeijer), JOR 1999, 170 en 171 (m.nt. Kortmann). De onderhavige beslissing van de HR is door Maeijer en Kortmann met instemming begroet. Ook Van den Ingh (1999, p. 187-188) en Geerts (1999, p. 364-366) achten de uitkomst bevredigend. Zie in kritische zin over deze materie Huizink 1998, p. 115-116.
Conclusie (overweging 4.1.5.4-4.1.5.6) bij HR 19 mei 1999, NJ 1999, 670 (De Haan Beheer).
Conclusie (overweging 4.1.5.2-4.1.5.3) bij HR 19 mei 1999, NJ 1999, 670 (De Haan Beheer).
Conclusie (overweging 4.1.5.9) bij HR 19 mei 1999, N 1999, 670 (De Haan Beheer).
Vergelijk OK 20 november 1997, JOR 1998, 25, r.o. 3.6 (De Haan Beheer): ‘Een grond voor ontvankelijkheid van het verzoek van de curator is bovendien gelegen in de meerwaarde van de enquêteregeling boven de faillissementswet. Niet alleen stelt de eerste hem een aantal extra middelen en bevoegdheden ten dienste, bovendien vinden begeleiding en controle in de enquêteprocedure plaats door een gespecialiseerde rechter.’ Zie voor soortgelijke ontvankelijkheidsoverwegingen: OK 22 december 1983, NJ 1985, 383, r.o. 7 (p. 1315) (OGEM Holding ); OK 7 januari 1988, NJ 1989, 827, r.o. 4.3 (Verenigde Bedrijven Bredero); OK 30 oktober 2003, ARO 2003, 174, r.o. 3.2 (Landis Group). Zie hierover in kritische zin Van Brunschot 2008, p. 254 e.v.
Vergelijk OK 20 november 1997, JOR 1998, 25, r.o. 3.6 (De Haan Beheer): ook de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor gebleken wanbeleid kan een doel van een enquête zijn. Het belang van de curator schuilt hierin, dat deze vaststelling van belang kan zijn in een tegen de bestuurders in te stellen procedure tot vergoeding van de door de vennootschap als gevolg van het wanbeleid geleden schade.
Ik roep in herinnering dat de OK Hamm in diens hoedanigheid van curator in het faillissement van de onderscheiden Nederlandse dochters niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het instellen van een onderzoek bij deze dochters, omdat hij niet voldoet aan een van de in art. 2: 346 BW gestelde vereisten: OK 20 november 1997, JOR 1998, 25, r.o. 3.5 (De Haan Beheer). Vergelijk het slot van tekstnummer 59.
Zie voor een en ander de conclusie (overweging 4.1.5.5-4.1.5.6) bij HR 19 mei 1999, NJ 999, 670 (De Haan Beheer).
Tot degenen die menen dat de curator exclusief bevoegd is, behoren Kortmann (noot (onder 3) in JOR 1999, 171 (onder HR 19 mei 1999 (De Haan Beheer)) en J.J.M. van Mierlo (noot in JOR 2004, 42 (onder OK 5 januari 2004 (Polisol)). Tot degenen die menen dat naast de curator óók de moedervennootschap zelf bevoegd is, behoren Maeijer (noot in NJ 1999, 671 (onder HR 19 mei 1999 (De Haan Beheer)) en Willems 2004, p. 259 (onder 8.3). Zie over een en ander ook Geerts 2004, p. 68 e.v.
HR 29 april 2005, JOR 2005, 146 (Polisol, m.nt. J.J.M. van Mierlo).
OK 5 januari 2004, JOR 2004, 42, r.o. 3.5 en 3.6 (Polisol, m.nt. J.J.M. van Mierlo).
OK 30 oktober 2003, ARO 2003, 174 (Landis Group). Landis Group is op 8 juli 2002 in staat van faillissement verklaard en de drie dochters op resp. 7 mei 2002, 8 juli 2002 en 4 september 2002.
HR 4 februari 2005, JOR 2005, 58 (Landis Group, m.nt. Van den Ingh).
Vermeldenswaard is nog dat de OK zich vóórdat de Hoge Raad de boven weergegeven beslissing heeft gegeven, in een eerdere procedure reeds op soortgelijke wijze heeft uitgelaten: OK 4 januari 2005, ARO 2005, 5, r.o. 3.1 (Het Bouwburo Beheer). Zie voorts OK 28 februari 2005, ARO 2005, 34, r.o. 3.13 (Dodo Beheer).
OK 21 oktober 1999, JOR 1999, 228, r.o. 2.1-2.2 (YVC IJsselwerf), onder verwijzing naar OK 17 maart 1994, rekestnr. 67/94 OK (Janssen Pers ). Overigens, het onderzoek bij de holding dient te worden beperkt tot de gang van zaken en het beleid van de holding voor zover deze betrekking hadden en hebben op YVC IJsselwerf.
OK 27 april 2000, JOR 2000, 127, r.o. 4.5-4.7 (Bot Bouw Groep , m.nt. Van den Ingh). Zie nog in andere zin: OK 12 november 1998, JOR 1999, 30 (Houdstermaatschappij De Zuider Ster); OK 30 december 1999, JOR 2000, 34, r.o. 4.3 (Naaykens).
Vergelijk in dit verband ook OK 5 oktober 2005, ARO 2005, 186 (Smit Transformatoren). De OK gelast op verzoek van de ondernemingsraad van Smit Transformatoren (hierna:Smit) een onderzoek bij zowel Smit als haar enig aandeelhouder Inverbeg BV. De OK acht het laatste noodzakelijk, omdat Inverbeg de AVA vormt van Smit en gedomineerd wordt door goeddeels dezelfde personen die het beleid en de gang van zaken van Smit in belangrijke mate bepalen. Wat betreft Inverbeg dient het onderzoek zich overigens te beperken tot haar beleid en de gang van zaken voor zover zij als aandeelhouder het beleid van Smit (mede) heeft bepaald (r.o. 3.25).
‘Naar het mij voorkomt zou een interpretatie van de wet in deze zin, dat onder omstandigheden onder rechtspersoon mede mag worden begrepen de rechtspersoon die als moedermaatschappij het beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon waar de leden van de een enquête verzoekende vakorganisaties werkzaam zijn, geheel of in belangrijke mate bepaalt, volkomen beantwoorden aan de bedoeling die de wetgever met het enquêterecht voor ogen heeft gehad. Een dergelijke interpretatie komt niet in strijd met de letter van de wet en kan in ieder geval worden beschouwd overeen te stemmen met de geest waarin de opstellers hebben gewerkt.’
62. De Haan Beheer. Toont de Hoge Raad zich blijkens de beschikking inzake De Vries Robbé Groep wat betreft enkelvoudige vennootschappen streng bij de beantwoording van de vraag wie verzoeken in enquête kunnen indienen, in moeder-dochterverhoudingen biedt hij partijen meer ruimte. Hoewel een enquêteverzoek blijkens de wettekst slechts de ‘eigen’ vennootschap kan betreffen (zie de art. 2: 345-347 en 2: 351 lid 1 BW, waarin uitdrukkelijk wordt gesproken over de rechtspersoon en de vennootschap1), sanctioneert hij in de beschikking inzake De Haan Beheer de beslissing van de Ondernemingskamer dat de curator van De Haan Beheer bevoegd is tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek bij de zes failliete dochters van de vennootschap.2 Ons hoogste rechtscollege concludeert, anders dan de Ondernemingskamer3 , tot bevoegdheid van de curator van De Haan Beheer op grond van een faillissementsrechtelijke redenering: ‘Met betrekking tot die bevoegdheid moet voorop worden gesteld dat niet in geding is de uitoefening van een bevoegdheid door een aandeelhouder van Beheer tegenover Beheer dan wel een van haar organen. Het gaat hier om de bevoegdheid van Beheer zelf, op grond van haar hoedanigheid van houdster van aandelen in van haar te onderscheiden andere vennootschappen en uit te oefenen tegenover die andere vennootschappen. De door het middel opgeworpen bevoegdheidsvraag betreft derhalve niet de uitoefening van een vennootschapsrechtelijke bevoegdheid. Voor Beheer vormen de aandelen in de Nederlandse dochters bestanddeel van haar vermogen. De omstandigheid dat de bevoegdheid te verzoeken om een enquête op zich zelf geen vermogensrecht is, sluit niet uit dat de aandeelhouder met zulk een verzoek kan beogen een vermogensbelang te dienen. Gelet op het een en ander bestaat er geen grond om aan een dergelijk verzoek het karakter te ontzeggen van een daad van beheer met betrekking tot een vermogensbestanddeel, tot welk beheer, indien dat vermogensbestanddeel in een failliete boedel is begrepen, krachtens artikel 68 van de Faillissementswet de faillissementscurator bevoegd is.’4
De beslissing van de Hoge Raad stemt overeen met de opvatting van advocaat-generaal Mok in zijn conclusie bij de beschikking.5 Mok wijst er nog op dat ook een andere benadering mogelijk is. Deze houdt in dat de desbetreffende bevoegdheid ook ná het faillissement van de moeder aan haar blijft toebehoren, omdat het recht een enquête te verzoeken op zichzelf niet een onderdeel kan zijn van de failliete boedel: ‘het is nl. geen vermogensrecht als bedoeld in art. 3: 6 BW (vgl. art. 20 Fw).’6 Mok meent echter dat deze benadering, hoezeer ook verdedigbaar, niet de voorkeur verdient, te meer omdat zij in een feitenconstellatie als de onderhavige, waarin de verwevenheid tussen moeder en dochters sterk is, tot gevolg kan hebben dat niet om een onderzoek wordt verzocht.7
Het is mijns inziens opmerkelijk te noemen dat de Hoge Raad de curator van De Haan Beheer bevoegd acht in zijn verzoek tot het instellen van een onderzoek bij de dochters van De Haan Beheer. Mag uit de onderhavige beschikking worden afgeleid dat ook het faciliteren van de curator8 en, in het verlengde hiervan, de bescherming van de belangen van crediteuren (de voornaamste taak van de curator) doelstellingen vormen van het enquêterecht?9 Verwarrend is bovendien dat de Hoge Raad overweegt dat de curator met het enquêteverzoek ‘kan beogen een vermogensbelang te dienen’, waarmee hij doelt op het vermogensbelang van de aandeelhouder (lees: de boedel van De Haan Beheer , waarover de curator het beheer voert). Hoe verhoudt zich dit tot de omstandigheid dat nu Hamm in hoedanigheid van curator van De Haan Beheer heeft verzocht om een onderzoek bij de failliete dochters, eerst en vooral de belangen van de crediteuren van de onderscheiden dochters worden behartigd (hetgeen zijn taak is in hoedanigheid van curator van deze dochters)?10 Advocaat-generaal Mok zorgt in zijn conclusie bij de beschikking ten aanzien van het laatste punt voor opheldering. Nadat hij heeft uitgelegd waarom het een essentieel belang van de boedel kan zijn en vaak zal zijn dat onderzocht wordt of sprake is geweest van wanbeleid – ‘Wordt immers wanbeleid vastgesteld dan opent dit de weg naar aansprakelijkstelling, m.n. op grond van art. 2: 248 BW, door de boedel van de failliete vennootschap op degenen die hun taak verzaakt hebben’ – legt hij uit waarin volgens hem het vermogensbelang van De Haan Beheer is gelegen: ‘Een geslaagde actie tot schadevergoeding kan de aandelen van de desbetreffende vennootschap (lees: de dochters, FV) aanmerkelijk in waarde doen stijgen. Dat is een belang van de aandeelhouders.’ En: ‘Projecteert men dit op de onderhavige casus, dan geldt het volgende. Indien door een enquête bij de dochters wordt vastgesteld dat bij die dochters wanbeleid is gepleegd, dan opent dat de weg naar “doorbraak”vorderingen op grond van art. 2: 248 (of van onrechtmatige daad). Hebben zulke vorderingen succes, dan stijgen de aandelen die Beheer houdt in waarde, hetgeen betekent dat deze gang van zaken de boedel van Beheer (en daarmee de crediteuren van de holding) ten goede komt. Door een beslissing tot een enquête bij de dochters uit te lokken dient de curator van Beheer dus de belangen van de boedel van die laatste vennootschap, wat zijn taak is.’11 De vraag blijft evenwel open of de behartiging van de belangen van de crediteuren (van De Haan Beheer) is te rijmen met de doelstellingen van het enquêterecht.
63. Polisol . In de literatuur is gediscussieerd over de vraag of de failliete moedervennootschap zelf nog de bevoegdheid heeft – eventueel náást de curator – om te verzoeken om het instellen van een onderzoek bij haar dochters.12 De Hoge Raad heeft deze discussie met de beschikking inzake Polisol13 beëindigd. Ons hoogste rechtscollege concludeert, nadat hij zijn in De Haan Beheer gegeven beslissing heeft herhaald: ‘Die beheersbevoegdheid (de beheersbevoegdheid van de curator, FV) is, naar op grond van het bepaalde in art. 68 lid 1 in verbinding met art. 25 lid 1 F. moet worden aangenomen, een exclusieve. Het onderdeel betoogt derhalve terecht dat de ondernemingskamer D Freight Group in haar verzoek niet-ontvankelijk had dienen te verklaren.’ (rechtsoverweging 5.3). De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van 5 januari 2004.14
64. Landis Group . De VEB c.s. hebben bij verzoekschrift d.d. 1 juli 2003 om een onderzoek gevraagd bij zowel Landis Group als drie van haar dochtervennootschappen (alle zijn reeds gefailleerd), welk verzoek door de Ondernemingskamer is toegewezen.15 In de beschikking van 4 februari 2005 – waarin het tegen de beschikking van de Ondernemingskamer ingestelde beroep in cassatie wordt verworpen – neemt de Hoge Raad een zelfde mild standpunt in als in de procedure betreffende De Haan Beheer.16 Hij verwerpt de stelling dat de Ondernemingskamer het verzoek van de VEB c.s. om mede een onderzoek te gelasten bij drie 100%-dochtervennootschappen van Landis Group , ten onrechte heeft toegewezen. De omstandigheid dat de in de wet vervatte opsomming van degenen aan wie de enquêtebevoegdheid toekomt limitatief is, betekent nog niet dat het onderdeel terecht is voorgesteld: ‘Of dat het geval is, hangt af van het antwoord op de vraag of in het zich hier voordoende geval van 100%-dochtermaatschappijen onder houders van aandelen of certificaten van aandelen als bedoeld in art. 2: 346 BW mede te begrijpen zijn houders van aandelen of certificaten van aandelen in de moedermaatschappij.’ (rechtsoverweging 3.3.2). De Hoge Raad concludeert, samengevat, dat het daarbij uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid (rechtsoverweging 3.3.4): ‘Die economische werkelijkheid hield in dit geval naar het in cassatie onbestreden oordeel van de ondernemingskamer in dat Landis en haar drie 100% dochtermaatschappijen tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en dat er wat de samenstelling van de onderscheiden besturen betreft sprake was van een vrijwel volledige personele unie. In dit oordeel ligt besloten dat binnen de dochtermaatschappijen geen sprake was van enig ten opzichte van de moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid, en dat derhalve het beleid en de gang van zaken van die dochtermaatschappijen de belangen van VEB c.s. als aandeelhouders van Landis evenzeer en op gelijke wijze raakten als het beleid en de gang van zaken van Landis zelf.’ (rechtsoverweging 3.3.5)17
De beschikking inzake Landis Group vormt een belangrijke steun in de rug voor de Ondernemingskamer, die in de jaren ervóór de in de wet gestelde grenzen reeds heeft ‘opgerekt’ voor moeder-dochterverhoudingen. Zo heeft zij in de beschikking inzake YVC IJsselwerf tevens een onderzoek gelast bij YVC Holding, de moeder van YVC IJsselwerf , hoewel bij de holding geen werknemers werkzaam zijn die bij de FNV zijn aangesloten.18 En in de procedure betreffende Bot Bouw Groep heeft de Ondernemingskamer het verzoek van de aandeelhouders van Bot Bouw Groep toegewezen om ook het beleid van haar vier dochtermaatschappijen aan een onderzoek te onderwerpen (vergelijk Landis Group ).19
Een interessante vraag is nog of de overwegingen van de Hoge Raad in Landis Group ook betekenis hebben voor de curator van de holdingvennootschap. Kan de curator bijvoorbeeld, indien hij verzoekt om een onderzoek bij de (gefailleerde) dochters van de holding (vergelijk De Haan Beheer), de Ondernemingskamer met succes verzoeken tevens – niettegenstaande de beschikking van de Hoge Raad inzake De Vries Robbé Groep – het beleid van de holding zelf in het onderzoek te betrekken, stellend dat de vennootschappen tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormen en dat er wat betreft de samenstelling van de onderscheiden besturen sprake is van een vrijwel volledige personele unie?20 De overwegingen van de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.3.2-3.3.5) lijken ruimte te laten voor een dergelijke – in de woorden van ons hoogste rechtscollege – ‘bevoegdheidsdoorbraak’. Ik doel vooral op zijn verwijzing in rechtsoverweging 3.3.3 naar de opvattingen van de SER ‘aangaande de situatie waarin de leden van een vakorganisatie werkzaam zijn in de onderneming van een dochtermaatschappij wier beleid geheel of in belangrijke mate wordt bepaald door een moedermaatschappij’, de instemmende reactie van de regering hierop21 en de toevoeging door de staatssecretaris: ‘De SER heeft in zijn advies twee specifieke concern-situaties behandeld. Het advies is op dit punt niet uitputtend. Het is zeker denkbaar dat de rechtspraak van de ondernemingskamer zich verder ontwikkelt. In welke situaties en onder welke omstandigheden zulks mogelijk zal zijn is een vraag die van geval tot geval moet worden beoordeeld in concrete zaken die aan de ondernemingskamer worden voorgelegd. De wetgever kan daarop niet vooruitlopen.’