Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.7
3.3.7 Veroordeling in de onderzoekskosten (artikel 2: 354 BW)
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466772:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 37, r.o. 3.3.1 (VHS ). Deze overweging houdt overigens niet in dat voor aansprakelijkheid ex art. 2: 354 BW geen persoonlijke verwijtbaarheid is vereist: HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.16.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer); Van der Vlis 1997, p. 227-230.
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.5.2 (Text Lite Holding , m.nt. Maeijer).
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.3.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
HR 8 april 1998, NJ 1999, 546, r.o. 3 (Skipper Club Charter).
HR 19 mei 1999, NJ 1999, 658, r.o. 3.3 (Bobel , m.nt. Maeijer): ‘De verantwoordelijkheid kan daarom niet worden aangenomen op grond van een algemeen vermoeden dat door de betrokkene moet worden weerlegd, zoals de Ondernemingskamer blijkens punt 10 van haar beschikking heeft gedaan.’
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.13.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
Zie ook in vragende zin Maeijer in zijn noot in NJ 1999, 658 (onder HR 19 mei 1999 (Bobel)). Vergelijk A-G Mok in zijn conclusie (overweging 4.3.2) bij HR 19 mei 1999, NJ 1999, 658 (Bobel), naar aanleiding van de in de hoofdtekst geciteerde rechtsoverweging uit HR 4 juni 1997 (Text Lite Holding): ‘Het op het onderzoeksverslag gebaseerde oordeel van het hof dat binnen Bobel stelselmatig alle handelingen ondergeschikt werden gemaakt aan de belangen van de meerderheidsaandeelhouders, en dat de raad van commissarissen daarmee steeds heeft ingestemd, althans zich daartegen onvoldoende heeft verzet, is op zichzelf voldoende om [N] voor de enquêtekosten aansprakelijk te houden. Vaststond immers dat hij in een deel van de in aanmerking genomen periode (…) commissaris is geweest. Slechts voor zover [N] concrete omstandigheden ter sprake heeft gebracht op basis waarvan hij meende dat hij zich wel voldoende onafhankelijk en kritisch heeft opgesteld, was het hof gehouden nader in te gaan op de wijze waarop [N] zijn commissariaat heeft vervuld. Dit heeft het hof ook gedaan, zodat zijn beschikking voldoende is gemotiveerd.’
HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 (RNA, m.nt. Maeijer). Zie tekstnummer 75.
79. Text Lite Holding; Bobel . Ingevolge art. 2: 354 BW kan de Ondernemingskamer op verzoek van de rechtspersoon bepalen dat deze de onderzoekskosten geheel of gedeeltelijk kan verhalen op een bestuurder, commissaris of een ander die in dienst is van de rechtspersoon, indien uit het onderzoeksverslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De Hoge Raad legt deze bepaling, die ‘het oog [heeft] op de individuele draagplicht van een (rechts)persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en die voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden’1 , ruim uit. Zo ontmoet het geen bezwaar dat het verzoek niet bij apart verzoekschrift wordt gedaan, maar wordt geïncorporeerd in het verweerschrift van de vennootschap (respectievelijk de curator in haar faillissement).2 Bovendien kan de Ondernemingskamer in het dictum zelf de veroordeling tot betaling van de onderzoekskosten uitspreken: ‘Het is niet in overeenstemming met de strekking van genoemd artikel, en ook overigens niet zinvol, indien naast de uitspraak van de Ondernemingskamer, voor de feitelijke veroordeling de beslissing van een andere rechter zou zijn vereist.’3 De omstandigheid dat ten aanzien van bepaalde gedragingen wellicht geen strikt onderscheid kan worden gemaakt tussen de hoedanigheid van (meerderheids)aandeelhouder of van bestuurder, staat aan een veroordeling in de onderzoekskosten niet in de weg.4 Op één punt toont de Hoge Raad zich echter streng: voorwaarde voor toewijzing van het verzoek tot kostenverhaal is blijkens de beschikking inzake Bobel namelijk dat uit het verslag concreet is gebleken dat de desbetreffende bestuurder of commissaris verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid.5 Of de Hoge Raad met deze overweging is teruggekomen van zijn eerdere beslissing in Text Lite Holding – ‘In het onderzoeksrapport (…) stelt de onderzoeker dat hij betwijfelt of [Sm] en [W] zich als commissaris voldoende op de hoogte hebben gesteld (…). Dat slechts twijfel werd uitgesproken behoefde voor de Ondernemingskamer geen aanleiding te zijn het beleid van [Sm] en [W] op het punt van voorraadwaardering niet te onderzoeken. Ook in een onderzoeksrapport uitgesproken twijfel kan voor de Ondernemingskamer grond opleveren om te dier zake tot een oordeel te komen’6 – is niet duidelijk.7 Helder is wel het verschil in benadering door de Hoge Raad in de beschikking inzake Bobel enerzijds en de beschikking inzake RNA anderzijds8 , niettegenstaande het feit dat in art. 2: 355 lid 1 BW is bepaald dat de Ondernemingskamer voorzieningen kan treffen ‘indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken’.