Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW:Algemene voorwaarden: definitiebepalingen
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW
Algemene voorwaarden: definitiebepalingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 15-12-2025
Actueel t/m
15-12-2025
Tijdvak
30-06-2004 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW
Het artikel geeft drie definities van in afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW gebruikte begrippen. Met name de definities onder a zal tot bewijsvragen kunnen leiden.
Algemene voorwaarden (onderdeel a)
Op de partij die zich erop beroept dat sprake is van algemene voorwaarden rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast dat daarvan sprake is. Meestal zal dat de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden zijn, omdat zij zich op een van de haar beschermende bepalingen van afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW beroept, met name op art. 6:233 e.v. BW. Maar ook de gebruiker van de voorwaarden zal er soms belang bij hebben om te betogen dat van algemene voorwaarden sprake is, bijvoorbeeld met het oog op art. 6:232 BW. In dat geval zijn de rollen dus precies omgekeerd. In het belang van de leesbaarheid wordt hierna uitgegaan van het gewone geval dat het de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden is die zich erop beroept dat sprake is van algemene voorwaarden.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever voor ogen had dat de wederpartij aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast als volgt kan voldoen (alternatief en niet uitputtend):1
a.
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat een rechtspersoon als bedoeld in art. 6:240 lid 2 BW het gebruik van de bedingen bevordert;
b.
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gebruiker kenbaar heeft gemaakt dat hij de bedingen in overeenkomsten zal gaan gebruiken;
c.
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gebruiker de bedingen in een aantal overeenkomsten daadwerkelijk heeft gebezigd.
Uit het gebruik van de woorden āmet uitzondering vanā valt af te leiden dat de stelplicht en bewijslast dat sprake is van een kernbeding op de gebruiker van de voorwaarden rust.2 Die stelplicht en bewijslast omvatten gelet op het gebruik van de woorden āvoor zoverā mede dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn gemotiveerd. Weliswaar is dit laatste in de eerste plaats een kwestie van beoordeling en waardering, maar dat sluit niet uit dat de inhoud van die beoordeling en waardering afhankelijk kan zijn van het al dan niet vaststaan van bepaalde feiten. Het is dus de gebruiker van de algemene voorwaarden die wat betreft zulke feiten de bewijslast draagt. Met deze opvatting harmonieert rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgens welke Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG) eraan in de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding op de consument rust.3 Voert de gebruiker van de algemene voorwaarden bijvoorbeeld aan dat hij of iemand namens hem aan de consument informatie heeft verschaft die het beding voor de consument duidelijk en begrijpelijk maakte, en betwist de consument dit, dan zal de gebruiker zijn stellingen dus volgens deze rechtspraak moeten bewijzen. Volgens het voorgaande volgt dit dus reeds uit het gebruik van de woorden āvoor zoverā in art. 6:231 onder a BW.4
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW
Algemene voorwaarden: definitiebepalingen
mr. W.L. Valk, actueel t/m 15-12-2025
15-12-2025
30-06-2004 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 231
Drie definities
Het artikel geeft drie definities van in afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW gebruikte begrippen. Met name de definities onder a zal tot bewijsvragen kunnen leiden.
Algemene voorwaarden (onderdeel a)
Op de partij die zich erop beroept dat sprake is van algemene voorwaarden rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast dat daarvan sprake is. Meestal zal dat de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden zijn, omdat zij zich op een van de haar beschermende bepalingen van afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW beroept, met name op art. 6:233 e.v. BW. Maar ook de gebruiker van de voorwaarden zal er soms belang bij hebben om te betogen dat van algemene voorwaarden sprake is, bijvoorbeeld met het oog op art. 6:232 BW. In dat geval zijn de rollen dus precies omgekeerd. In het belang van de leesbaarheid wordt hierna uitgegaan van het gewone geval dat het de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden is die zich erop beroept dat sprake is van algemene voorwaarden.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever voor ogen had dat de wederpartij aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast als volgt kan voldoen (alternatief en niet uitputtend):1
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat een rechtspersoon als bedoeld in art. 6:240 lid 2 BW het gebruik van de bedingen bevordert;
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gebruiker kenbaar heeft gemaakt dat hij de bedingen in overeenkomsten zal gaan gebruiken;
door te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gebruiker de bedingen in een aantal overeenkomsten daadwerkelijk heeft gebezigd.
Uit het gebruik van de woorden āmet uitzondering vanā valt af te leiden dat de stelplicht en bewijslast dat sprake is van een kernbeding op de gebruiker van de voorwaarden rust.2 Die stelplicht en bewijslast omvatten gelet op het gebruik van de woorden āvoor zoverā mede dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn gemotiveerd. Weliswaar is dit laatste in de eerste plaats een kwestie van beoordeling en waardering, maar dat sluit niet uit dat de inhoud van die beoordeling en waardering afhankelijk kan zijn van het al dan niet vaststaan van bepaalde feiten. Het is dus de gebruiker van de algemene voorwaarden die wat betreft zulke feiten de bewijslast draagt. Met deze opvatting harmonieert rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgens welke Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG) eraan in de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding op de consument rust.3 Voert de gebruiker van de algemene voorwaarden bijvoorbeeld aan dat hij of iemand namens hem aan de consument informatie heeft verschaft die het beding voor de consument duidelijk en begrijpelijk maakte, en betwist de consument dit, dan zal de gebruiker zijn stellingen dus volgens deze rechtspraak moeten bewijzen. Volgens het voorgaande volgt dit dus reeds uit het gebruik van de woorden āvoor zoverā in art. 6:231 onder a BW.4
Voetnoten
1.
Toelichting op amendement van het kamerlid Korthals (VVD), Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1557. Vgl. Jac. Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/13.
2.
Jac. Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/11; M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/16.
3.
HvJ EU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:470, AA 2022/0127 m.nt. D. Busch (BNP Parisbas Personal Finance), punt 89.
4.
Van een āomkering van de bewijslastā is dus in het verband van art. 6:231, aanhef en onder a BW mijn inziens geen sprake, anders dan AA-annotator Busch (zie vorige noot) meent. Zoān omkering is wĆ©l aan de orde voor zover de regel van het arrest BNP Parisbas Personal Finance mede wordt betrokken op de rol van het transparantievereiste bij de toets of een beding oneerlijk is. Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW.