Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW:Vernietigbaarheid van bedingen in algemene voorwaarden
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW
Vernietigbaarheid van bedingen in algemene voorwaarden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 15-12-2025
Actueel t/m
15-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW
De partij die de vernietiging inroept, dus de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden, draagt de stelplicht en bewijslast zowel
1.
ten aanzien van de omstandigheid dat het beding deel uitmaakt van algemene voorwaarden in de zin van art. 6:231 aanhef en onderdeel a BW; als
2.
ten aanzien van het complex van feiten waaruit de onredelijke bezwarendheid van het beding volgt.1
Voor het eerste zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW.
Wat betreft het tweede, de onredelijke bezwarendheid van het beding, geldt dat daarvoor alle omstandigheden van het geval van betekenis kunnen zijn. De partij die de vernietiging inroept, zal zich beroepen op de feiten en omstandigheden die in haar voorstelling het oordeel rechtvaardigen dat het beding onredelijk bezwarend is. De gebruiker van de algemene voorwaarden zal zich daartegenover beroepen op de feiten en omstandigheden die in zijn voorstelling aan dat oordeel in de weg staan. Voor zover de ingeroepen feiten en omstandigheden niet in geschil zijn, is de beslissing van de vraag of het beding onredelijk bezwarend is een kwestie van waardering door de rechter en zijn er geen bewijsrechtelijke vragen aan de orde. Betwist echter de gebruiker van de algemene voorwaarden een of meer door de wederpartij gestelde feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld dat zij door het beding in een bepaald belang wordt benadeeld), zo draagt de wederpartij van die feiten of omstandigheden de bewijslast en het bewijsrisico. Dat de wederpartij de bewijslast en het bewijsrisico draagt, geldt ook indien de gebruiker van de algemene voorwaarden feiten of omstandigheden aanvoert die afbreuk doen aan het bezwarende karakter van het beding (bijvoorbeeld dat de overeenkomst aan de wederpartij een bepaald voordeel toekent dat de bezwarendheid van het beding geheel of gedeeltelijk compenseert) en deze feiten en omstandigheden niet vaststaan omdat de wederpartij ze ontkent. Het is immers de partij die de vernietiging inroept die de bewijslast draagt van het complex van feiten en omstandigheden waaruit de onredelijke bezwarendheid van het beding volgt. Men behoort het beroep van de gebruiker van algemene voorwaarden op bepaalde feiten of omstandigheden dus in het algemeen niet op te vatten als een bevrijdend verweer, maar als een betwisting van de door de wederpartij gestelde onredelijke bezwarendheid. Op de partij die feiten stelt ter motivering van zijn betwisting, rust immers niet de bewijslast van die feiten.2 De omstandigheid dat het mogelijk gaat om het bewijs van een negatief feit (het zich niet voordoen van een bepaald feit of een bepaalde omstandigheid), maakt dat niet anders. Intussen laat zich zeer wel een verzwaarde motiveringsplicht voor deze gebruiker denken, in die zin dat hij met een enkele betwisting niet zal kunnen volstaan, maar die betwisting zodanig dient aan te kleden, dat aan de partij die de vernietiging inroept voldoende aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering worden geboden.3
Consumenten en ambtshalve toetsing
Voor consumenten geven art. 6:236 BW (zwarte lijst) en art. 6:237 BW (grijze lijst) een nadere invulling van de norm van onredelijkbezwarendheid. Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:236 BW en commentaar op art. 6:237 BW.
De vraag laat zich stellen in hoeverre de stelplicht en bewijslast worden beĆÆnvloed door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU4 en de Hoge Raad5 over de ambtshalve toetsing van de eerlijkheid van bedingen in consumentenovereenkomsten op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG). Voor zover men onder stelplicht mede verstaat dat feiten ten grondslag moeten worden gelegd aan een vordering of verweer, en dat anders op die feiten geen acht wordt geslagen (wat in zoverre samenvalt met het verbod van aanvullen van feitelijke gronden van art. 24 Rv), is die invloed er inderdaad. Volgens de bedoelde rechtspraak dient de rechter die over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 EEG valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, daarnaar immers onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Dit geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en ook in verstekzaken.6
Dit kan eventueel tot gevolg hebben dat ook zonder daarop gerichte stellingen van de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden, de rechter vooralsnog veronderstelt dat deze wederpartij in de hoedanigheid van consument heeft gehandeld, dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld7 en dat het beding (mogelijk) onredelijk bezwarend (oneerlijk) is, waarmee de gebruiker van de algemene voorwaarden in de positie komt dat hij moet toelichten waarom zijn wederpartij niet als consument heeft gehandeld, dat over het beding afzonderlijk is onderhandeld8 en/of waarom het beding niet oneerlijk is. Daarmee is echter niet gezegd dat in zoān geval de stelplicht ten volle op die gebruiker is komen te rusten. Weet de gebruiker twijfel te zaaien over de hoedanigheid waarin de wederpartij heeft gehandeld, over de status van het beding als geen voorwerp van afzonderlijke onderhandeling of weet hij het beding zodanig toe te lichten dat het onredelijk bezwarende karakter op het eerste gezicht wordt weggenomen, dan ligt het vervolgens op de weg van de wederpartij om feiten of omstandigheden te stellen waaruit die hoedanigheid, die status respectievelijk dat karakter alsnog kan volgen. In zoverre blijft de consument dus met de stelplicht belast.9 Ook de regel van art. 149 lid 1, tweede volzin Rv geldt in dit verband onverkort: als de wederpartij bepaalde stellingen van de gebruiker van de algemene voorwaarden, niet of onvoldoende betwist, worden zij door de rechter als vaststaand beschouwd. Volgens de Hoge Raad is er geen grond om aan te nemen dat deze regel van Nederlands procesrecht onder het toepasselijke Unierecht, meer in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel, geen werking zou hebben.10
Nog minder kan worden gezegd dat in geval van ambtshalve toetsing (ook) de bewijslast op de gebruiker van de algemene voorwaarden komt te rusten. Indien voor de beoordeling feiten beslissend zijn die tussen partijen niet vaststaan, rust de bewijslast met betrekking tot die feiten op de wederpartij (uiteraard afgezien van het geval dat het beding onder de grijze lijst van art. 6:237 BW valt).
Een bijzonderheid geldt met betrekking tot het transparantievereiste van art. 6:238 lid 2 BW. Strijd met het transparantievereiste is een omstandigheid die meeweegt bij de beoordeling van de eerlijkheid van een beding op grond van art. 6:233, aanhef en onder a BW. Het enkele gebrek aan transparantie van een beding kÔn leiden tot het oordeel dat het beding oneerlijk is.11 Het transparantievereiste speelt óók een rol bij de voorvraag of sprake is van kernbedingen (art. 6:231, aanhef en onder a BW), namelijk in de zin dat bedingen die de kern van de prestaties aangeven geen algemene voorwaarden zijn (en dus onttrokken aan de toets van art. 6:233, aanhef en onder a BW) voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn. In dÔt verband heeft het Hof van Justitie van de EU overwogen dat de richtlijn eraan de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding op de consument rust.12 Voert de gebruiker van de algemene voorwaarden bijvoorbeeld aan dat hij of iemand namens hem aan de consument informatie heeft verschaft die het beding voor de consument duidelijk en begrijpelijk maakte, en betwist de consument dit, dan zal de gebruiker zijn stellingen dus moeten bewijzen. Welnu, het ligt voor de hand dat hetzelfde dan ook in het verband van art. 6:233, aanhef en onder a BW geldt: voor zover met het oog op de vraag of een beding oneerlijk is van belang is of door of namens de gebruiker bepaalde informatie is verschaft en de consument dat betwist, is aan te nemen dat de bewijslast van die informatieverschaffing op de gebruiker van de voorwaarden rust.
Bepaalde bedingen omtrent de bewijslast vallen onder art. 6:236 aanhef en onderdeel k BW (zwarte lijst). Andere bedingen omtrent de bewijslast zullen kunnen vallen onder het beding onderdeel q op de indicatieve (āblauweā) lijst van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG), namelijk bedingen die tot doel of tot gevolg hebben āhet indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name (ā¦) door de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken of hem een bewijslast op te leggen die volgens het geldende recht normaliter op een andere partij bij de overeenkomst rust.ā Deze vermelding op de indicatieve lijst biedt dus steun aan een consument die met toepassing van art. 6:233 aanhef en onderdeel a BW zoān beding vernietigt en zal ook aanleiding kunnen zijn voor ambtshalve toetsing (zie hiervoor).13
Niet-consumenten
Voor andere partijen dan consumenten neemt men onder omstandigheden wel een reflexwerking van de zwarte en grijze lijst aan.14 Die reflexwerking beĆÆnvloedt het materiĆ«le oordeel over de onredelijke bezwarendheid van het beding. Voorstelbaar lijkt āĀ althans in sprekende gevallenĀ ā dat dezelfde reflexwerking ook de bewijslastverdeling beĆÆnvloedt, in die zin dat de rechter in die werking aanleiding ziet voor een omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid (art. 150 Rv), dan wel voor het oordeel dat het beding behoudens tegenbewijs als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt.15 Ter zake van de feiten en omstandigheden die de reflexwerking kunnen rechtvaardigen, draagt de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden uiteraard steeds de (volle) bewijslast.
Geen redelijke mogelijkheid tot kennisneming (aanhef en onderdeel b)
De partij die de vernietiging inroept, dus de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden, zal gemotiveerd moeten stellen dat haar geen redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden. Art. 6:234 BW geeft een nadere invulling van de materiƫle norm dat de gebruiker van algemene voorwaarden zijn wederpartij een redelijke mogelijkheid tot kennisneming moet bieden, en die nadere invulling is van invloed op de bewijslastverdeling. Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:234 BW.
Vgl. F.J.P. Lock, NTBR 2016/16, p. 118 met betrekking tot het min of meer vergelijkbare geval van ambtshalve toetsing in geval van consumentenkrediet. Voor de figuur van de verzwaarde motiveringsplicht in algemene zin, vgl. Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 6 (Inleiding).
Wat betreft het hoger beroep binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, maar eventueel ook buiten het door de grieven ontsloten gebied, zie: HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. Krans (Ebecek/Trudo).
Alleen met betrekking tot bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld is de eerlijkheidstoets van de richtlijn aan de orde (art. 3 lid 1Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenā, āRichtlijn 93/13/EEGā). Hoewel het element dat niet afzonderlijk is onderhandeld niet voorkomt in de omschrijving van algemene voorwaarden in art. 6:231, aanhef en onder a BW, is zij dus wel wezenlijk voor de vraag of de rechter ambtshalve een beding in een consumentenovereenkomst toetst. Vergelijk met betrekking tot het vereiste dat niet afzonderlijk over het beding is onderhandeld ook lid 2 van art. 3 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenā (āRichtlijn 93/13/EEGā): Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst (in de Engelse versie van de richtlijn āa pre-formulated standard contractā) van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.
Daarbij moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen waarin een beding aan de consument is voorgelegd, ten einde vast te stellen of de consument invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan. Zie HvJ EU 9 juli 2020, zaak C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536 (Ibercaja Banco), punt 35 en HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856.
Zie in vergelijkbare zin over de verhouding tussen ambtshalve toetsing en stelplicht en bewijslast de conclusie van Plv. P-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2025:750, onder 3.12 e.v. Enigszins anders C.M.D.S. Pavillon, Open normen in het Europees consumentenrecht (Recht en Praktijk nr. CR4), Deventer: Kluwer 2011, 165-167, die suggereert dat in geval van ambtshalve toetsing de rechter het beding in feite tot een beding op de grijze lijst (art. 6:237 BW) maakt, waarbij zich aansluit M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/179 e.v.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Hijma (Euriborhypotheken), rov. 3.4 onder verwijzing naar HvJ EU 28 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:612 (Verein für KonsumentenĀinforĀmation), punt 68.
HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197, NJ 2023/333 m.nt. Pavillon (Hibma Zuivel). Uit dat arrest volgt dat reflexwerking ook mogelijk is met betrekking tot overeenkomsten die gewoonlijk niet door consumenten worden gesloten. Wat betreft de literatuur zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/502 en Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch2024/8.2. Vergelijk ook Asser/Houben 7-X 2025/238 met betrekking tot uitbreiding van de werking van de zwarte en grijze lijst tot niet-consumenten onder de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998.
Vgl. M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/405. Loos onderscheidt het geval dat de reflexwerking sterk is, in welk geval de gebruiker aannemelijk zal dienen te maken dat het beding niet onredelijk bezwarend is, en het geval dat de reflexwerking zwak is, waarin de plaatsing van het beding op de lijst slechts een van de factoren is die bij de beoordeling van het beding een rol speelt, zonder dat dit consequenties voor het bewijs heeft. Het eerste geval lijkt hij zowel als een feitelijk vermoeden als tegendeelbewijs te benoemen, wat uiteraard niet beide tegelijk waar kan zijn, behalve voor zover men bewijslast opvat als enkel bewijsleveringslast (vgl. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/271en Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 4.3(Inleiding)). Denkelijk zal een omkering van de bewijslast in de zin van het bewijsrisico alleen in de meest sprekende gevallen op zijn plaats kunnen zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW
Vernietigbaarheid van bedingen in algemene voorwaarden
mr. W.L. Valk, actueel t/m 15-12-2025
15-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:233 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 233
Onredelijk bezwarend (aanhef en onderdeel a)
De partij die de vernietiging inroept, dus de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden, draagt de stelplicht en bewijslast zowel
ten aanzien van de omstandigheid dat het beding deel uitmaakt van algemene voorwaarden in de zin van art. 6:231 aanhef en onderdeel a BW; als
ten aanzien van het complex van feiten waaruit de onredelijke bezwarendheid van het beding volgt.1
Voor het eerste zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:231 BW.
Wat betreft het tweede, de onredelijke bezwarendheid van het beding, geldt dat daarvoor alle omstandigheden van het geval van betekenis kunnen zijn. De partij die de vernietiging inroept, zal zich beroepen op de feiten en omstandigheden die in haar voorstelling het oordeel rechtvaardigen dat het beding onredelijk bezwarend is. De gebruiker van de algemene voorwaarden zal zich daartegenover beroepen op de feiten en omstandigheden die in zijn voorstelling aan dat oordeel in de weg staan. Voor zover de ingeroepen feiten en omstandigheden niet in geschil zijn, is de beslissing van de vraag of het beding onredelijk bezwarend is een kwestie van waardering door de rechter en zijn er geen bewijsrechtelijke vragen aan de orde. Betwist echter de gebruiker van de algemene voorwaarden een of meer door de wederpartij gestelde feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld dat zij door het beding in een bepaald belang wordt benadeeld), zo draagt de wederpartij van die feiten of omstandigheden de bewijslast en het bewijsrisico. Dat de wederpartij de bewijslast en het bewijsrisico draagt, geldt ook indien de gebruiker van de algemene voorwaarden feiten of omstandigheden aanvoert die afbreuk doen aan het bezwarende karakter van het beding (bijvoorbeeld dat de overeenkomst aan de wederpartij een bepaald voordeel toekent dat de bezwarendheid van het beding geheel of gedeeltelijk compenseert) en deze feiten en omstandigheden niet vaststaan omdat de wederpartij ze ontkent. Het is immers de partij die de vernietiging inroept die de bewijslast draagt van het complex van feiten en omstandigheden waaruit de onredelijke bezwarendheid van het beding volgt. Men behoort het beroep van de gebruiker van algemene voorwaarden op bepaalde feiten of omstandigheden dus in het algemeen niet op te vatten als een bevrijdend verweer, maar als een betwisting van de door de wederpartij gestelde onredelijke bezwarendheid. Op de partij die feiten stelt ter motivering van zijn betwisting, rust immers niet de bewijslast van die feiten.2 De omstandigheid dat het mogelijk gaat om het bewijs van een negatief feit (het zich niet voordoen van een bepaald feit of een bepaalde omstandigheid), maakt dat niet anders. Intussen laat zich zeer wel een verzwaarde motiveringsplicht voor deze gebruiker denken, in die zin dat hij met een enkele betwisting niet zal kunnen volstaan, maar die betwisting zodanig dient aan te kleden, dat aan de partij die de vernietiging inroept voldoende aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering worden geboden.3
Consumenten en ambtshalve toetsing
Voor consumenten geven art. 6:236 BW (zwarte lijst) en art. 6:237 BW (grijze lijst) een nadere invulling van de norm van onredelijkbezwarendheid. Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:236 BW en commentaar op art. 6:237 BW.
De vraag laat zich stellen in hoeverre de stelplicht en bewijslast worden beĆÆnvloed door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU4 en de Hoge Raad5 over de ambtshalve toetsing van de eerlijkheid van bedingen in consumentenovereenkomsten op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG). Voor zover men onder stelplicht mede verstaat dat feiten ten grondslag moeten worden gelegd aan een vordering of verweer, en dat anders op die feiten geen acht wordt geslagen (wat in zoverre samenvalt met het verbod van aanvullen van feitelijke gronden van art. 24 Rv), is die invloed er inderdaad. Volgens de bedoelde rechtspraak dient de rechter die over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 EEG valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, daarnaar immers onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Dit geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en ook in verstekzaken.6
Dit kan eventueel tot gevolg hebben dat ook zonder daarop gerichte stellingen van de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden, de rechter vooralsnog veronderstelt dat deze wederpartij in de hoedanigheid van consument heeft gehandeld, dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld7 en dat het beding (mogelijk) onredelijk bezwarend (oneerlijk) is, waarmee de gebruiker van de algemene voorwaarden in de positie komt dat hij moet toelichten waarom zijn wederpartij niet als consument heeft gehandeld, dat over het beding afzonderlijk is onderhandeld8 en/of waarom het beding niet oneerlijk is. Daarmee is echter niet gezegd dat in zoān geval de stelplicht ten volle op die gebruiker is komen te rusten. Weet de gebruiker twijfel te zaaien over de hoedanigheid waarin de wederpartij heeft gehandeld, over de status van het beding als geen voorwerp van afzonderlijke onderhandeling of weet hij het beding zodanig toe te lichten dat het onredelijk bezwarende karakter op het eerste gezicht wordt weggenomen, dan ligt het vervolgens op de weg van de wederpartij om feiten of omstandigheden te stellen waaruit die hoedanigheid, die status respectievelijk dat karakter alsnog kan volgen. In zoverre blijft de consument dus met de stelplicht belast.9 Ook de regel van art. 149 lid 1, tweede volzin Rv geldt in dit verband onverkort: als de wederpartij bepaalde stellingen van de gebruiker van de algemene voorwaarden, niet of onvoldoende betwist, worden zij door de rechter als vaststaand beschouwd. Volgens de Hoge Raad is er geen grond om aan te nemen dat deze regel van Nederlands procesrecht onder het toepasselijke Unierecht, meer in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel, geen werking zou hebben.10
Nog minder kan worden gezegd dat in geval van ambtshalve toetsing (ook) de bewijslast op de gebruiker van de algemene voorwaarden komt te rusten. Indien voor de beoordeling feiten beslissend zijn die tussen partijen niet vaststaan, rust de bewijslast met betrekking tot die feiten op de wederpartij (uiteraard afgezien van het geval dat het beding onder de grijze lijst van art. 6:237 BW valt).
Een bijzonderheid geldt met betrekking tot het transparantievereiste van art. 6:238 lid 2 BW. Strijd met het transparantievereiste is een omstandigheid die meeweegt bij de beoordeling van de eerlijkheid van een beding op grond van art. 6:233, aanhef en onder a BW. Het enkele gebrek aan transparantie van een beding kÔn leiden tot het oordeel dat het beding oneerlijk is.11 Het transparantievereiste speelt óók een rol bij de voorvraag of sprake is van kernbedingen (art. 6:231, aanhef en onder a BW), namelijk in de zin dat bedingen die de kern van de prestaties aangeven geen algemene voorwaarden zijn (en dus onttrokken aan de toets van art. 6:233, aanhef en onder a BW) voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn. In dÔt verband heeft het Hof van Justitie van de EU overwogen dat de richtlijn eraan de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding op de consument rust.12 Voert de gebruiker van de algemene voorwaarden bijvoorbeeld aan dat hij of iemand namens hem aan de consument informatie heeft verschaft die het beding voor de consument duidelijk en begrijpelijk maakte, en betwist de consument dit, dan zal de gebruiker zijn stellingen dus moeten bewijzen. Welnu, het ligt voor de hand dat hetzelfde dan ook in het verband van art. 6:233, aanhef en onder a BW geldt: voor zover met het oog op de vraag of een beding oneerlijk is van belang is of door of namens de gebruiker bepaalde informatie is verschaft en de consument dat betwist, is aan te nemen dat de bewijslast van die informatieverschaffing op de gebruiker van de voorwaarden rust.
Bepaalde bedingen omtrent de bewijslast vallen onder art. 6:236 aanhef en onderdeel k BW (zwarte lijst). Andere bedingen omtrent de bewijslast zullen kunnen vallen onder het beding onderdeel q op de indicatieve (āblauweā) lijst van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG), namelijk bedingen die tot doel of tot gevolg hebben āhet indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name (ā¦) door de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken of hem een bewijslast op te leggen die volgens het geldende recht normaliter op een andere partij bij de overeenkomst rust.ā Deze vermelding op de indicatieve lijst biedt dus steun aan een consument die met toepassing van art. 6:233 aanhef en onderdeel a BW zoān beding vernietigt en zal ook aanleiding kunnen zijn voor ambtshalve toetsing (zie hiervoor).13
Niet-consumenten
Voor andere partijen dan consumenten neemt men onder omstandigheden wel een reflexwerking van de zwarte en grijze lijst aan.14 Die reflexwerking beĆÆnvloedt het materiĆ«le oordeel over de onredelijke bezwarendheid van het beding. Voorstelbaar lijkt āĀ althans in sprekende gevallenĀ ā dat dezelfde reflexwerking ook de bewijslastverdeling beĆÆnvloedt, in die zin dat de rechter in die werking aanleiding ziet voor een omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid (art. 150 Rv), dan wel voor het oordeel dat het beding behoudens tegenbewijs als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt.15 Ter zake van de feiten en omstandigheden die de reflexwerking kunnen rechtvaardigen, draagt de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden uiteraard steeds de (volle) bewijslast.
Geen redelijke mogelijkheid tot kennisneming (aanhef en onderdeel b)
De partij die de vernietiging inroept, dus de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden, zal gemotiveerd moeten stellen dat haar geen redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden. Art. 6:234 BW geeft een nadere invulling van de materiƫle norm dat de gebruiker van algemene voorwaarden zijn wederpartij een redelijke mogelijkheid tot kennisneming moet bieden, en die nadere invulling is van invloed op de bewijslastverdeling. Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:234 BW.
Voetnoten
1.
HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6135, NJ 2013/431 (Van Marrum/Wolff).
2.
Onder meer HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468.
3.
Vgl. F.J.P. Lock, NTBR 2016/16, p. 118 met betrekking tot het min of meer vergelijkbare geval van ambtshalve toetsing in geval van consumentenkrediet. Voor de figuur van de verzwaarde motiveringsplicht in algemene zin, vgl. Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 6 (Inleiding).
4.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, C-488/11 (Asbeek Brusse).
5.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274m.nt. Krans (Heesakkers/Voets); HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, NJ 2016/439 (X/Dexia) en HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. Krans (Ebecek/Trudo).
6.
Wat betreft het hoger beroep binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, maar eventueel ook buiten het door de grieven ontsloten gebied, zie: HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. Krans (Ebecek/Trudo).
7.
Alleen met betrekking tot bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld is de eerlijkheidstoets van de richtlijn aan de orde (art. 3 lid 1Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenā, āRichtlijn 93/13/EEGā). Hoewel het element dat niet afzonderlijk is onderhandeld niet voorkomt in de omschrijving van algemene voorwaarden in art. 6:231, aanhef en onder a BW, is zij dus wel wezenlijk voor de vraag of de rechter ambtshalve een beding in een consumentenovereenkomst toetst. Vergelijk met betrekking tot het vereiste dat niet afzonderlijk over het beding is onderhandeld ook lid 2 van art. 3 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenā (āRichtlijn 93/13/EEGā): Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst (in de Engelse versie van de richtlijn āa pre-formulated standard contractā) van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.
8.
Daarbij moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen waarin een beding aan de consument is voorgelegd, ten einde vast te stellen of de consument invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan. Zie HvJ EU 9 juli 2020, zaak C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536 (Ibercaja Banco), punt 35 en HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856.
9.
Zie in vergelijkbare zin over de verhouding tussen ambtshalve toetsing en stelplicht en bewijslast de conclusie van Plv. P-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2025:750, onder 3.12 e.v. Enigszins anders C.M.D.S. Pavillon, Open normen in het Europees consumentenrecht (Recht en Praktijk nr. CR4), Deventer: Kluwer 2011, 165-167, die suggereert dat in geval van ambtshalve toetsing de rechter het beding in feite tot een beding op de grijze lijst (art. 6:237 BW) maakt, waarbij zich aansluit M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/179 e.v.
10.
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1864.
11.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Hijma (Euriborhypotheken), rov. 3.4 onder verwijzing naar HvJ EU 28 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:612 (Verein für KonsumentenĀinforĀmation), punt 68.
12.
HvJ EU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:470, AA 2022/0127 m.nt. Busch (BNP Parisbas Personal Finance), punt 89.
13.
Zie over de betekenis van de bepaling onderdeel q M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/370.
14.
HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197, NJ 2023/333 m.nt. Pavillon (Hibma Zuivel). Uit dat arrest volgt dat reflexwerking ook mogelijk is met betrekking tot overeenkomsten die gewoonlijk niet door consumenten worden gesloten. Wat betreft de literatuur zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/502 en Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch2024/8.2. Vergelijk ook Asser/Houben 7-X 2025/238 met betrekking tot uitbreiding van de werking van de zwarte en grijze lijst tot niet-consumenten onder de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998.
15.
Vgl. M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024/405. Loos onderscheidt het geval dat de reflexwerking sterk is, in welk geval de gebruiker aannemelijk zal dienen te maken dat het beding niet onredelijk bezwarend is, en het geval dat de reflexwerking zwak is, waarin de plaatsing van het beding op de lijst slechts een van de factoren is die bij de beoordeling van het beding een rol speelt, zonder dat dit consequenties voor het bewijs heeft. Het eerste geval lijkt hij zowel als een feitelijk vermoeden als tegendeelbewijs te benoemen, wat uiteraard niet beide tegelijk waar kan zijn, behalve voor zover men bewijslast opvat als enkel bewijsleveringslast (vgl. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/271en Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 4.3(Inleiding)). Denkelijk zal een omkering van de bewijslast in de zin van het bewijsrisico alleen in de meest sprekende gevallen op zijn plaats kunnen zijn.