Het juridische begrip van godsdienst
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/Samenvatting:Samenvatting
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/Samenvatting
Samenvatting
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452809:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze dissertatie is het juridische begrip van godsdienst onder de loep genomen. Dit is ten eerste gedaan door het analyseren van de formuleringen van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet, de vaste rechtspraak over deze grondrechtsbepalingen en het commentaar hierop in de literatuur, ten tweede door middel van een thematisch onderzoek naar onderwerpen met een religieus object.
Ten aanzien van het eerste punt kunnen we de volgende conclusies trekken. Hoewel de grondwetgever en de opstellers van het EVRM geen duidelijke definitie hebben gegeven van godsdienst, zijn er in de formuleringen van artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM en de vaste jurisprudentie over deze grondrechtsobjecten een aantal aspecten te ontwaren die het godsdienstbegrip een meer objectief karakter geven. Deze aspecten kunnen worden geassocieerd met het ideaaltype van het gezindtepluralisme. Dit ideaaltype gaat uit van de algemeen liberale uitgangspunten van individuele mensenrechten en de scheiding tussen het publieke en het private domein. Daarnaast neemt het een Lockeaanse interpretatie van neutraliteit en tolerantie als uitgangspunt.
We vinden het liberale uitgangspunt van individuele rechten terug in de formuleringen van de grondrechtsobjecten van artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM omdat deze grondrechtsobjecten veronderstellen dat het individu zelf de vrijheid heeft om zijn godsdienst uit te oefenen.
Het liberale uitgangspunt van het onderscheid tussen een publiek en een privaat domein komen we tegen in de formulering van artikel 6 Grondwet, de leer van het forum internum en forum externum en de kernrechtbenadering. Vanwege dit onderscheid ontstaan als het ware ‘eersterangs’ en ‘tweederangs’ vormen van godsdienstuitoefening.
In de vaste jurisprudentie over het grondrechtsobject van artikel 6 Grondwet en dat van artikel 9 EVRM treffen we een Lockeaanse interpretatie van neutraliteit. Volgens Locke zijn neutrale (alledaagse) uitingen en gedragingen per definitie geen directe expressie van godsdienst. Dit kan slechts het geval zijn indien hiervoor een onbetwijfelbaar mandaat is gegeven. De vraag waar Locke geen antwoord op geeft is wanneer men weet dat een uiting of gedraging een onbetwijfelbaar mandaat heeft. In feite zien we dit probleem ook terug in de jurisprudentie waar men worstelt met de vraag wanneer een uiting of gedraging een ‘directe uitdrukking’ is van godsdienst. Alledaagse (Locke bezigt de term ‘indifferent’) uitingen of gedragingen die worden gereguleerd door ‘neutrale’ wetten worden niet erkend als uiting of gedraging van godsdienst of levensovertuiging.
Ten slotte kunnen we in de vaste jurisprudentie over artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet ook een Lockeaanse interpretatie van tolerantie ontwaren. De Lockeaanse interpretatie van tolerantie komt erop neer dat deze tolerantie alleen betrekking heeft op geloof in de algemeen erkende (institutionele) godsdiensten. Tolerantie hoeft in de zienswijze van Locke niet te gelden voor individuele, singuliere geloofsopvattingen. Die opvattingen vallen derhalve niet onder de godsdienstvrijheid. Lockes interpretatie van tolerantie herkennen we in de eis die in de jurisprudentie van het EHRM wordt gesteld dat een godsdienst of levensovertuiging moet worden gekenmerkt door ‘… a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance’. Met vage opinies of ideeën neemt het EHRM geen genoegen. Er moet sprake zijn van een identificeerbare religie of overtuiging. Lockes interpretatie van tolerantie echoot ook door in het voorbeeld dat het EHRM geeft van zaken die een directe expressie zijn van godsdienst: ‘(…) acts of worship or devotion forming part of the practice of a religion or a belief in a generally accepted form’. Traditionele uitingen of gedragingen worden op grond van deze overweging, omdat ze immers algemeen aanvaard zijn, gemakkelijker als godsdienstig gekwalificeerd dan overige uitingen en gedragingen.
Op basis van het tweede punt – de analyse van verschillende onderwerpen met een religieus object binnen uiteenlopende rechtsgebieden (zie 1.7 voor een overzicht hiervan) – kan geconcludeerd worden dat er een uiteenlopend begrip van godsdienst in het recht wordt gehanteerd. De verschillende onderwerpen die zijn bestudeerd geven geen eenduidig beeld. Ook zien we dat het begrip van godsdienst ten aanzien van één specifiek onderwerp kan variëren. De rechter hanteert dan bijvoorbeeld een wat andere benadering dan de wetgever. De legitimaties voor de verschillende manieren waarop het begrip godsdienst wordt uitgelegd kunnen worden geassocieerd met verschillende politiek-filosofische ideaaltypen (zie 4.1 voor een overzicht hiervan). Men zou kunnen zeggen dat het juridische begrip van godsdienst als een lappendeken van verschillende politiek-filosofische perspectieven aan elkaar hangt. Dat is ook niet verwonderlijk gezien het feit dat het recht een neerslag vormt van langdurige maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Uiteindelijk doe ik vier constateringen.
1) Er zijn een aantal onderwerpen waarbij in lijn met de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een verschuiving plaatsvindt van een objectiverende naar een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst. Voor deze onderwerpen geldt dat de accommodatie van religieuze pluriformiteit en de daarbij behorende subjectiverende uitleg bij de overheid weinig weerstand oproept en tot weinig praktische problemen leidt. Veelal betreffen dit onderwerpen waarbij de mogelijke (financiële) consequenties van een meer subjectiverende uitleg voor de overheid beperkt zijn. Het gaat om de eedsaflegging in gerechtelijke procedures, de reikwijdte van de term kerkgenootschap en de strafrechtelijke bescherming van groepen tegen discriminatie.
Deze ontwikkeling kunnen we duiden als het gevolg van een meer accommodationistische benadering die aan invloed wint ten koste van een benadering die meer past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. De belangrijkste kritiek die vanuit een accommodationistisch perspectief geuit kan worden op het ideaal van het liberaal gezindtepluralisme is dat het uitgaat van bepaalde meerderheidsopvattingen over religie en de hier uit voortvloeiende uitingen en gedragingen bevoordeelt ten opzichte van minder bekende (exotische) godsdiensten en atypische godsdienstige uitingen en gedragingen. Accommodationisten vinden dat een ieder die zich beroept op godsdienst of levensbeschouwing in het recht dezelfde aanspraak moet kunnen maken op rechten (waaronder ook verstaan vrijstellingen, privileges, vrijheden, et cetera). Niet alleen de traditionele godsdiensten en levensbeschouwingen dienen te worden beschermd, maar elke religieuze of levensbeschouwelijke claim dient te worden gehonoreerd tenzij een beperking is gelegitimeerd op grond van dringende overwegingen van publiek belang, zoals openbare orde, veiligheid of bescherming van de rechten van anderen. Deze zienswijze sluit aan bij een subjectieve uitleg van godsdienst waarin de justitiabele bepaalt wat voor hem of haar geldt als godsdienst en wat de uitingen en gedragingen zijn die hierbij horen. Het rechtssubject is binnen deze benadering het individu. De zelfdefiniëring is leidend voor de juridische vraag wat telt als godsdienst.
2) Er zijn een aantal onderwerpen die we kunnen beschouwen als restanten van het zuilensysteem. Daarbij wordt een een collectief-subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst gehanteerd die kan worden geassocieerd met het communautaristische ideaaltype. Binnen het communautaristische perspectief wordt godsdienst gezien als meer dan enkel de private geloofsuitoefening. Godsdienst wordt als een fenomeen gepercipieerd dat gestalte krijgt binnen het collectief. Een bepaald collectief heeft de vrijheid om zichzelf te definiëren. Deze definitie is vervolgens bindend voor de individuen die behoren tot dat collectief. Het collectief heeft de autonomie om zelf te bepalen wat telt als godsdienstig. Het communautaristische ideaaltype heeft in Nederland invloed gehad door de katholieke sociale leer die uitging van subsidiariteitsbeginsel en de calvinistisch-protestantste leer die uitging van het beginsel van soevereiniteit in eigen kring. Deze maatschappelijke perspectieven zijn gematigd communautaristisch omdat men niet alleen uitgaat van de zelfdefinitie van het collectief maar ook van de zelfdefinitie van het individu.
De collectief-subjectieve uitleg van het begrip godsdienst in het licht van de inrichtingsvrijheid van kerken en het bijzonder onderwijs kan geassocieerd worden met het communautaristisch perspectief. De uitleg van het begrip godsdienst op grond van de inrichtings- en organisatievrijheid vindt ten aanzien van de kerkgenootschappen plaats op grond van artikel 2:2 BW en ten aanzien van bijzondere scholen op grond van artikel 23 Grondwet. Het EHRM leest, als het gaat om de vrijheid van godsdienst van religieuze gemeenschappen (waaronder kerken, scholen, et cetera), artikel 11 EVRM (organisatie- en inrichtingsvrijheid) in het licht van artikel 9 EVRM (en artikel 2 Protocol 1 EVRM). De fundering van de organisatie of inrichting in theologische bronnen brengt met zich dat op het oog niet-religieuze onderwerpen: de organisatie, lidmaatschap, et cetera een religieuze dimensie kunnen krijgen en daardoor kunnen tellen als een godsdienstige uiting of gedraging. Bijvoorbeeld de niet-sekseneutrale invulling van ambten binnen een kerkgenootschap of de keuze van de leermiddelen door een religieuze (bijzondere) school. Daarmee vormt de inrichtings- en organisatievrijheid van religieuze gemeenschappen een uitbreiding van de problematiek over de uitleg van het begrip godsdienst.
In hoeverre de communautaristische benadering in Nederland toekomstbestendig is, zal afhangen van de mate waarin de maatschappij blijft ondersteunen dat godsdienst een legitimatie vormt voor een vergaande autonomie van instellingen. Mogelijk dat dit gezien de wegebbende invloed van de christelijke politieke principes van ‘soevereiniteit in eigen kring’ en ‘subsidiariteit’ minder wordt. De laatste jaren lijkt deze steun in ieder geval ten aanzien van het bijzonder onderwijs af te nemen. Aan de andere kant zijn er nog steeds groepen in de samenleving die zich op deze traditionele wijze organiseren. Zolang deze groepen bestaan zullen hun rechten niet zomaar worden afgenomen en in dat geval zal ook de bij deze rechten behorende collectief-subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst blijven bestaan. Het gevolg is dat bij een botsing tussen een collectief en een individueel recht binnen een religieuze gemeenschap, er geheel tegen de tendens van een individualiserende samenleving in, door het recht aan de zelfdefinitie van de religieuze groep een groter belang wordt toegekend dan aan de zelfdefinitie van het individu.
3) Er zijn een aantal onderwerpen waarbij in lijn met de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een meer subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst gangbaarder wordt maar waarin men ten aanzien van een louter individuele (singuliere) godsdienstuitoefening nog wel een objectiverende uitleg hanteert. Dit valt te duiden als een accommodationistische benadering die niet tot het uiterste wordt gevolgd, aangezien men op sommige punten vasthoudt aan een benadering die past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. De rechtsorde lijkt op het gebied van kleding en omgangvormen, rituele slacht, de aanvraag asiel een uitsluitend singuliere wijze van godsdienstuitoefening niet te willen accommoderen. Waarschijnlijk is dat bij deze onderwerpen een volledig accommodationistische benadering onwenselijk wordt geacht wegens angst voor misbruik van recht of voor situaties waarbij het recht onhanteerbaar zou worden. Men kan denken aan de situatie dat een individu op basis van een zelfverzonnen geloof het recht claimt om ritueel te slachten of stelt in het kader van een ontslag gediscrimineerd te worden wegens het om godsdienstige redenen dragen van een absurde ‘outfit’ (een vergiet?) in een functie waar representativiteit belangrijk is. Ook kan de terughoudendheid worden ingegeven vanwege het feit dat bepaalde kwesties politiek gevoelig liggen, bijvoorbeeld het verlenen van verblijfsvergunningen. Mogelijk is men bevreesd dat een benadering waarbij men de religieuze perspectieven van asielzoekers volledig accommodeert (bij het niet uitfilteren van onoprechte claims) zou kunnen leiden tot een toename van het aantal vluchtelingen.
4) Er zijn een aantal onderwerpen waarbij ondanks de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een meer objectiverende uitleg van het begrip godsdienst wordt gehandhaafd. Het begrip van godsdienst kan binnen deze onderwerpen worden geassocieerd met het liberaal gezindtepluralisme. Men gaat het liefst uit van de traditionele en algemeen erkende godsdiensten. Bovendien moeten deze godsdiensten welbepaald zijn. We komen deze benadering tegen in het belastingrecht ter zake van de ANBI-regeling en de kerkenvrijstelling en in het onderwijs ter zake van de uitleg van de term richting. De nadruk op objectivering binnen deze onderdelen van het recht is mogelijk te verklaren vanuit de gedachte dat het hier gaat om rechtssubjecten die een financiële gunst verlangen van de overheid. Dat is evident voor de belastingvoordelen van kerkgenootschappen maar geldt ook voor het bestaan van het bijzonder onderwijs. Het betreft dan de regeling voor de vervoerskosten naar de dichtstbijzijnde school van de gewenste richting en de bekostiging van een nieuw te stichten school. Denkbaar is dat de staat ten aanzien van deze onderwerpen vreest dat een subjectief begrip van godsdienst tot hoge kosten zal leiden en zich daarom objectief-restrictief opstelt.
In dit proefschrift betoog ik op basis van bovenstaande conclusies dat het beter is om een benadering die geassocieerd kan worden met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme (incluis de objectiverende benadering) op alle gebieden van het recht los te laten en over te schakelen op een combinatie van een accommodationistische en communautaristische benadering. De vraag wat godsdienst(ig) is komt dan in sterke mate buiten de sfeer van de Staat en de samenleving als geheel (algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen) te liggen. In plaats daarvan is het primair het rechtssubject aan wie het recht op zelfdefinitie toekomt, tenzij het een dispuut betreft tussen een religieuze gemeenschap en een vrijwillig lidmaat van een religieuze gemeenschap. In dat geval dient de zelfdefinitie van het collectief te prevaleren. Anders wordt het vormen van religieuze gemeenschappen onmogelijk.
Om te voorkomen dat een gesubjectiveerd godsdienstbegrip problemen oplevert, stel ik drie oplossingen voor. Ten eerste een minimale objectivering van het juridische godsdienstbegrip waardoor de godsdienstvrijheid hanteerbaar blijft. De minimale objectivering bestaat eruit dat een godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting een bepaalde mate moet hebben van begrijpelijkheid, samenhang, belangrijkheid en serieusheid. Het aspect samenhang ziet op fundamentele levensvragen die geëxpliciteerd dienen te worden als vragen over de oorsprong, zin en doel van het bestaan. Opvattingen die geen betrekking hebben op dergelijke vragen zouden buiten het juridische begrip van godsdienst of levensovertuiging moeten vallen. Ten tweede een strikte toets van de oprechtheid van het rechtssubject. Deze toets moet niet theologisch van aard zijn maar daarentegen gericht zijn op 1) de feiten van de context waarbinnen de godsdienst wordt geoefend, 2) de conformiteit (consistentie) van het gedrag van het rechtssubject met zijn opvattingen. Ten derde het opnemen van een zelfde soort beperkingsclausule als artikel 9 EVRM heeft bij elk recht met een religieus object. Met een dergelijke beperkingsclausule heeft een kwalificatie als godsdienst(ig) niet gelijk juridische (onwenselijk geachte) consequenties. Bestuur en rechter hebben dan immers de mogelijkheid om die consequenties af te wegen tegen andere belangen zoals openbare orde, veiligheid, gezondheid en de rechten van anderen. Op deze manier kan worden voorkomen dat aanhangers van ongewenste godsdiensten een succesvol beroep doen op een recht met een religieus recht. Ook kan een beperkingsclausule in het geval dat er twijfel is over de oprechtheid van een religieuze claim, een oplossing zijn omdat de rechter dan het rechtssubject het voordeel van de twijfel kan geven en zijn opvattingen als religieus kan kwalificeren omdat hij altijd nog de mogelijkheid heeft om het gevolg van deze kwalificatie te matigen door het toepassen van de beperkingsclausule. Uiteraard moeten er dan wel daadwerkelijk zwaarwegende belangen zijn. De godsdienstvrijheid mag niet worden uitgehold vanwege het hanteren van een beperkingsclausule.
Mijn voorstel zorgt ervoor dat de zelfdefinitie van het rechtssubject in het recht een grotere rol toekomt en het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid wordt geëerbiedigd. Daarnaast voorkomt het ongelijke behandeling van aanhangers van godsdiensten.