Rb. Zwolle, 14-03-2006, nr. AWB 05/794
ECLI:NL:RBZLY:2006:AY3971
- Instantie
Rechtbank Zwolle
- Datum
14-03-2006
- Magistraten
Mr. E.W. Akkerman
- Zaaknummer
AWB 05/794
- LJN
AY3971
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZLY:2006:AY3971, Uitspraak, Rechtbank Zwolle, 14‑03‑2006
Uitspraak 14‑03‑2006
Mr. E.W. Akkerman
Partij(en)
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
De Kamper Makelaar B.V., gevestigd te Kampen, eiseres,
gemachtigde: mr. J.W. Both, advocaat te Kampen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Zwolle), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 13 april 2005.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 23 december 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting ten aanzien van haar werkneemster [werkneemster] (verder te noemen: de werkneemster), wonende te [woonplaats], ingevolge artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) opnieuw verlengd wordt met twee maanden van 4 januari 2005 tot en met 3 maart 2005. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de activiteiten van eiseres ook in de verlengde periode van loondoorbetalingsplicht onvoldoende zijn geweest en eiseres geen deugdelijke grond heeft voor dit verzuim.
Tegen dit besluit is op 18 januari 2005 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Op 23 mei 2005 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 20 juli 2005 een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 31 januari 2006 ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen bij haar huidige directeur [naam directeur], bijgestaan door de gemachtigde, voornoemd.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer [naam juridisch medewerker], juridisch medewerker.
3. Motivering
Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder op goede gronden het tijdvak waarover werkneemster jegens eiseres recht heeft op doorbetaling van loon nogmaals verlengd heeft met een periode van twee maanden vanwege het feit dat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Werkneemster is op 1 november 2002 als secretaresse/receptioniste is dienst getreden bij eiseres. Per 23 september 2003 heeft werkneemster haar werkzaamheden gestaakt in verband met whiplashklachten ten gevolge van een ongeval op 30 augustus 2003.
Eiseres heeft vervolgens op advies van de bedrijfsarts een functie gecreëerd voor werkneemster waarin zij op arbeidstherapeutische basis voor drie keer 2 uur per week hervat heeft.
Werkneemster heeft verweerder verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO. In verband hiermee is door haar het opgestelde reïntegratieverslag meegezonden, welk verslag beoordeeld is door arbeidsdeskundige K. van Dijk-van Beek. Deze arbeidsdeskundige is tot het oordeel gekomen dat eiseres geen reïntegratie bevorderende activiteiten heeft opgestart en er geen deugdelijke grond voor deze tekortkoming is. Er is naar haar oordeel sprake van een ‘ernstige’ nalatigheid waarbij een sanctie conform categorie 2 hoort. Op grond van de benodigde tijd om de tekortkomingen te herstellen, waarbij gedacht kan worden alsnog het door de bedrijfsarts in een vroeg stadium geadviseerde Winnock in te schakelen, heeft de arbeidsdeskundige aangegeven dat kan worden volstaan met een loondoorbetalingsverplichting voor een periode van 4 maanden. Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft verweerder eiseres een loondoorbetalingsverplichting over het tijdvak van 4 september 2004 tot en met 3 januari 2005 opgelegd.
Eiseres heeft ter wille van de goede verhoudingen met haar werkneemster tegen dit besluit geen bezwaar aangetekend.
Op 15 oktober 2004 heeft werkneemster verweerder nogmaals verzocht haar in aanmerking te brengen voor de WAO-uitkering. In verband hiermee heeft wederom een beoordeling van het reïntegratieverslag plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan verweerder op 23 december 2004 het in rubriek 2 van deze uitspraak genoemde besluit, zoals na bezwaar gehandhaafd, genomen.
Verweerder heeft werkneemster na afloop van de verlengde periode van loondoorbetalingsplicht per 4 maart 2005 uitkering ingevolge de WAO geweigerd, onder de overweging dat werkneemster voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van deze wet is te achten.
Ingevolge de Wet verbetering poortwachter zijn aan zowel de werkgever als de werknemer verplichtingen opgelegd, inhoudende dat beiden de nodige reïntegratie-inspanningen moeten leveren, met als doel hervatting in eigen of passende arbeid binnen het bedrijf, dan wel bij een andere werkgever.
Het UWV beoordeelt of de werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht. Het beoordelingskader hiervoor is neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236).
Komt het UWV tot de conclusie dat de werkgever in de periode van 52 weken waarin hij het loon van de werknemer heeft moeten doorbetalen onvoldoende pogingen heft ondernomen om de werknemer weer aan de slag te helpen, dan stelt het UWV ingevolge artikel 71a van de WAO een periode vast waarin de verplichting tot loondoorbetaling wordt voortgezet. De lengte van deze periode wordt afgestemd op de aard en de ernst van het verzuim van de werkgever en op de tijd die deze nodig zal hebben om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren. Deze periode bedraagt maximaal 52 weken.
Verweerder heeft het in dit kader te voeren beleid neergelegd in de Beleidsregels verlenging loonbetaling poortwachter (Besluit van 12 maart 2003, Stcrt. 2003, 54), verder te noemen: de Beleidsregels.
Het verzuim van de werkgever wordt op grond van artikel 4 van de Beleidsregels ingedeeld in één van de volgende vier categorieën: beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid.
Verweerder is bij de eerste beoordeling van het reïntegratieverslag van oordeel geweest dat het verzuim van eiseres bestempeld dient te worden als ernstig nalatig. Voor die categorie is ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Beleidsregels een maximale loondoorbetalingsperiode van 6 maanden van toepassing. Aangezien naar het oordeel van verweerder eiseres binnen een kortere periode het verzuim kon herstellen, is de loondoorbetalingsperiode op vier maanden gesteld.
In deze periode dient de werkgever alsnog de nodige reïntegratie-inspanningen te verrichten, welke vastgelegd worden in een nieuw of aangevuld reïntegratieverslag.
Wanneer de werknemer opnieuw een WAO-uitkering aanvraagt, beoordeelt het UWV ingevolge artikel 6 van de Beleidsregels aan de hand van het nieuwe of aangevulde reïntegratieverslag of de werkgever in de verlengde loondoorbetalingsperiode wél voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Is er opnieuw sprake van onvoldoende reïntegratie-inspanningen, dan stelt het UWV een nieuwe loondoorbetalingsperiode vast. Die periode wordt afgestemd op de tijd die nodig is voor herstel van het verzuim, met een minimum van twee maanden. Het eerder vastgestelde maximum blijft gehandhaafd. Op elkaar volgende loondoorbetalingsperioden mogen gezamenlijk niet de maximumduur overschrijden die hoort bij de aard en de ernst van het verzuim.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder eiseres met name verwijt dat eiseres het reeds bij de eerste probleemanalyse door de bedrijfsarts geadviseerde Winnock heeft geweigerd te betalen. Winnock geeft een training gericht op functieherstel en werkhervatting.
Verweerder heeft dit in zijn verweerschrift ontkend. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat het feit dat de Winnock training regelmatig wordt genoemd zich laat verklaren uit het feit dat de arbodienst van eiseres reeds kort na het intreden van de arbeidsongeschiktheid deze mogelijkheid meermalen nadrukkelijk onder de aandacht van de werkgever heeft gebracht. Het spreekt echter voor zich dat buiten Winnock ook andere adequate inspanningen denkbaar zijn, maar behoudens het mogelijk maken van hervatten op arbeidstherapeutische basis waarbij de werkneemster slechts gedeeltelijk op haar oude werkplek plaats kon nemen nu deze plek door een andere werkneemster was overgenomen, is verweerder echter niet gebleken van een andere inspanning van de zijde van eiseres.
De rechtbank heeft geconstateerd dat eiseres vanaf het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster alle medewerking heeft verleend aan de reïntegratie. Op advies van de arbodienst heeft eiseres een functie gecreëerd waarin de werkneemster gedurende aan aantal uren per week werkzaamheden kon verrichten. Aangezien ten aanzien van de receptie echter een constante bezetting nodig is, eiseres is immers een klein makelaarskantoor, heeft eiseres voor de duur van de ziekte van de werkneemster een ander aangesteld. In die arbeidsovereenkomst is echter nadrukkelijk aangegeven dat de arbeidsovereenkomst eindigt op het moment dat werkneemster [werkneemster] arbeidsgeschikt is.
Gebleken is echter dat de werkneemster van de gelegenheid om te reïntegreren geen of nauwelijks gebruik heeft gemaakt, maar zich meermalen ziek gemeld heeft, terwijl zij tijdens haar ziekte wel een opleiding tot schoonheidsspecialiste heeft gevolgd.
Gelet op voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres voldoende inspanningen heeft geleverd om de werkneemster te laten reïntegreren. De enkele omstandigheid dat eiseres in eerste instantie geen kostbare Winnock training heeft willen betalen kan aan dat oordeel niet afdoen.
Hieruit volgt dat de in de aanhef van deze rubriek opgeworpen vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Het beroep van eiseres is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient vernietigd te worden.
De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
4. Beslissing
De rechtbank
- —
verklaart het beroep gegrond;
- —
vernietigt het bestreden besluit;
- —
gelast dat verweerder het namens eiseres gestorte griffierecht ad € 276,-- vergoedt;
- —
veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, te op heden begroot op € 644,--;
- —
wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiseres.
Gewezen door mr. E.W. Akkerman en in het openbaar uitgesproken op [14 maart 2006] in tegenwoordigheid van mw. Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op [17 maart 2006]