Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.2.1.1
8.2.4.2.1.1 Een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met belaste handelingen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291624:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647, m.nt. Bijl, r.o. 15 (Lennartz).
HvJ EG 6 april 1995, zaak C-4/94, FED 1995/495, m.nt. Nieuwenhuizen (BLP Group).
A.J. van Doesum, Ondanks een onlosmakelijke samenhang (oratie), Kluwer: Deventer 2013, p. 15-16. Van Doesum wijst erop dat het Hof ook wel spreekt van kosten die ‘onlosmakelijk verbonden zijn met de gehele economische activiteit’ of een ‘toerekening van kosten aan de economische activiteit(en)’. Hierbij past naar mijn mening de kanttekening dat het Hof deze aanduidingen gebruikt in specifieke situaties, te weten de situatie dat kosten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de gehele bedrijfsactiviteit respectievelijk de situatie dat de kosten zowel verband houden met belastbare als onbelastbare handelingen.
M.D.J. van der Wulp, ‘Rechtstreekse en onmiddellijke samenhang: ‘juridisch’ en economisch element’, BtwBrief 2013/94, p. 4. Anders: conclusie A-G Saggio 30 september 1999, zaak C-98/98, BNB 2001/118, punt 29 (Midland Bank).
Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 29 maart 2021.
C.H. Sieburgh, Asser/Sieburgh 6-II 2017/52 (online, bijgewerkt op 1 oktober 2017).
HR 3 februari 1927, nr. 03021927, NJ 1927, 636 (nr. 3), m.nt. Meijers.
Het gebruik van de adjectieven ‘rechtstreeks en onmiddellijk’ om een (nauw) verband te duiden komt in het civiele recht van de lidstaten ook buiten het aansprakelijkheidsrecht voor. Te wijzen valt op art. 637 van het Burgerlijk Wetboek in België op grond waarvan een erfdienstbaarheid een last is op een erf tot gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar toebehoort. Het Belgische Hof van Cassatie heeft deze bepaling zo uitgelegd dat een erfdienstbaarheid een dienst is in rechtstreeks en onmiddellijk verband met het gebruiken en het exploiteren van een erf (Hof van Cassatie 16 mei 1952, Arr. Cassatie 1952, 518). Bij dit criterium gaat het - net als bij het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang in de btw - om een objectief verband (Hof van Cassatie 28 januari 2000, Arr. Cassatie 2000, 76).
In de vorige paragraaf is besproken wanneer het recht op btw-aftrek ontstaat. Het ontstaan van het recht op btw-aftrek zegt nog niets over de omvang van het recht op btw-aftrek. Voor de omvang van het recht op btw-aftrek is enkel het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van belang.1 Uit art. 168 Btw-richtlijn volgt dat recht op btw-aftrek bestaat voor zover de afgenomen goederen en diensten door de belastingplichtige worden gebruikt voor belaste handelingen. Maar wanneer is daarvan sprake? In het BLP Group-arrest heeft het Hof die vraag als volgt beantwoord: het recht op btw-aftrek vereist een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de betrokken goederen en diensten en de belaste handelingen. De verworven goederen of diensten moeten volgens het Hof objectief met de belaste handelingen samenhangen; het doel dat de belastingplichtige met de uitgaande handelingen uiteindelijk (lees: onrechtstreeks of middellijk) beoogt te bereiken is niet relevant.2 Sindsdien is het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang of, zoals het Hof van Justitie het ook wel verwoordt, ‘rechtstreeks en onmiddellijk verband’ leidend voor de vaststelling of sprake is van gebruik voor belaste handelingen.3
In de Nederlandse vertaling van het BLP Group-arrest gebruikt het Hof van Justitie voor de samenhang tussen de afgenomen goederen en diensten en de belaste handelingen twee nevenschikkende bijvoeglijke naamwoorden: rechtstreeks en onmiddellijk. Dit is geen vertaalfout, aangezien in de procestaal, het Engels, de adjectieven ‘direct and immediate’ worden gebruikt. Het Hof heeft niet gemotiveerd waarom het dit doet. Het komt mij voor dat deze woorden geen verschillende betekenis hebben en dat derhalve sprake is van een tautologie.4 Dat het Hof in het BLP-arrest ter onderbouwing van het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’ wijst op (thans) art. 1 lid 2 en (thans) art. 169, onderdeel c Btw-richtlijn waarin uitsluitend het woord ‘rechtstreeks’ voorkomt, sterkt mij in die opvatting. Voormelde opvatting sluit ook aan bij het Nederlandse spraakgebruik op grond waarvan het begrip ‘onmiddellijk’ rechtstreeks betekent.5 Het is naar mijn mening niet uitgesloten dat het gebruik van de adjectieven rechtstreeks en onmiddellijk louter te danken is aan het leentjebuur spelen bij het civiele recht van de lidstaten. Op grond van art. 1231-4 van de Franse Code civil komt bij wanprestatie alleen de schade voor vergoeding in aanmerking die het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg (‘suite immédiate et directe’) is van de wanprestatie. Dit veronderstelt dat de wanprestatie een conditio sine qua non is voor de schade.6 De Hoge Raad heeft zich in Nederland in een ver verleden in soortgelijke bewoordingen uitgelaten door voorop te stellen dat alleen de schade die het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg is van een onrechtmatige daad voor schadevergoeding in aanmerking kan komen.7 Bij dit criterium ‘rechtstreeks en onmiddellijk gevolg’ gaat het – net als bij de rechtstreekse en onmiddellijke samenhang in de btw (zie paragrafen 8.2.4.2.2.2 en 8.2.4.2.3.1) – om het vaststellen van een oorzakelijk verband.8 Of het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’ een civielrechtelijke ent is die door het Hof van Justitie aan de boom van de Europese btw is vastgemaakt, behoort tot het geheim van de Luxemburgse raadkamer. Ik volsta daarom met de constatering dat het gebruik van de adjectieven ‘rechtstreeks en onmiddellijk’ om een nauw verband te duiden reeds (lang) voor het BLP Group-arrest voorkwam in het civiele recht van de lidstaten. Het Hof van Justitie heeft het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’ in het Midland Bank-arrest nader ingevuld. Hierop wordt in de volgende paragraaf ingegaan.