Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.3:10.3.3 Voorkomen van een ongerechtvaardigde windfall profit voor bepaalde belastingplichtigen door een technisch gebrek in de wet
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.3
10.3.3 Voorkomen van een ongerechtvaardigde windfall profit voor bepaalde belastingplichtigen door een technisch gebrek in de wet
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197266:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 oktober 1997, nrs. 21319/93, 21449/93 en 21675/93 (The National & Provincial Building Society, the Leeds Permanent Building Society and the Yorkshire Building Society v. the United Kingdom).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf komt een vrij specifiek geval aan de orde waarin het EHRM terugwerkende kracht van belastingwetgeving accepteerde. De Building Societies-zaak1 betrof wetgeving waarmee met terugwerkende kracht een technisch gebrek in de wet werd hersteld waardoor een groot heffingslek werd voorkomen.
Het draaide in deze zaak om de belastingheffing over rentebetalingen door woningbouwverenigingen (Building Societies). Jarenlang werd deze belasting ingehouden en afgedragen op basis van informele afspraken met HMRC (de Britse belastingdienst). Die afspraken hielden in dat belasting moest worden ingehouden over de rente die in het voorgaande boekjaar was betaald en dat de belasting werd afgedragen op of rond 1 januari van het nieuwe kalenderjaar. Concreet betekende dit dat belasting die was verschuldigd over het boekjaar 1985/1986 werd berekend over de rente die was betaald in het boekjaar 1984/1985 en werd afgedragen op 1 januari 1986. Per 6 april 1986 werden deze regels gewijzigd. Voortaan moest de belasting worden berekend over de in het lopende kwartaal betaalde rente en ook direct na dat kwartaal worden afgedragen. Overgangsrecht moest voorkomen dat rentebetalingen van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regels waarover op basis van de oude regels nog geen belasting was betaald, tussen wal en schip zouden vallen. Alleen de Building Society van Woolwich procedeerde over de nieuwe wetgeving.
Uiteindelijk oordeelde de House of Lords op 25 oktober 1990 in de zaak van Woolwich dat het overgangsrecht vanwege een technisch gebrek ongeldig was. Een aantal andere Building Societies startten daarop procedures om de door hen over de overgangsperiode afgedragen belasting terug te vorderen. De eerste twee procedures werden aanhangig gemaakt op 15 maart en 17 maart 1991. Dat was slechts enkele dagen vóórdat op 19 maart 1991 werd aangekondigd dat het technische gebrek in de wet hersteld zou worden met terugwerkende kracht naar 1986. Hierdoor zagen de Building Societies de restitutievorderingen die ze op de staat meenden te hebben in rook opgaan.
De terugwerkende kracht was in dit geval nodig om conform de oorspronkelijke en alleszins redelijke bedoeling van de wetgever belasting te kunnen heffen over de rentebetalingen. Als de ongelukkige wetgevingsfout die aan het licht trad door de uitspraak van de House of Lords niet zou worden hersteld, zou dat de staat GBP 15 miljard kosten. Het EHRM oordeelde dat er in dit geval een “obvious and compelling public interest” was om te voorkomen dat de Building Societies een door niets gerechtvaardigde windfall profit zouden behalen door de technische gebrekkigheid van het overgangsregime, hoewel de materiële bedoeling van de wetgever voor de Buidling Societies steeds volstrekt duidelijk was geweest:
“81. (…). There is in fact an obvious and compelling public interest to ensure that private entities do not enjoy the benefit of a windfall in a changeover to a new tax-payment regime and do not deny the Exchequer revenue simply on account of inadvertent defects in the enabling tax legislation, the more so when such entities have followed the debates on the original proposal in Parliament and, while disagreeing with that proposal, have clearly understood that it was Parliament’s firm intention to incorporate it in legislation.’’
Daarbij nam het EHRM ook in aanmerking dat de Building Societies niet werden geconfronteerd met een individuele en excessieve last. Zij moesten slechts de belasting afdragen die zij altijd al moesten afdragen:
“Nor can the applicant societies maintain that the effect of the measure imposed an excessive and individual burden on them given that the interest they had paid to investors in the gap period would have been brought into account for tax purposes had the voluntary arrangements continued in force (…).”
Wat verder nog van belang wordt geacht door het EHRM is dat de Building Societies er juridisch alles aan deden om de belastingheffing onmogelijk te maken. Ook werd door het EHRM gewezen op het grote budgettaire belang voor de staat. Een precair punt is wel het tijdstip waarop het besluit tot wetswijziging met terugwerkende kracht werd aangekondigd. Op het moment van die aankondiging op 19 maart 1991 waren er namelijk al twee procedures aanhangig gemaakt. In zoverre werd dus ingegrepen in lopende procedures, iets waarvan het EHRM zacht gezegd geen liefhebber is. De Britse wetgever had het besluit om de wet met terugwerkende kracht te wijzigen echter al genomen vóór 7 maart 1991, toen er nog geen procedures aanhangig waren, en onafhankelijk van de mogelijke inleiding van dergelijke procedures. Het EHRM vindt dat in dit specifieke geval het algemeen belang dat met de maatregel is gediend zwaarder moet wegen dan de geschonden belangen van de Building Societies:
“81. (…) the Court notes that in enacting section 53 of the 1991 Act with retroactive effect Parliament was concerned to restore and reassert its original intention which had been stymied by the finding of the House of Lords in the Woolwich 1 litigation that the 1986 Regulations were ultra vires on technical grounds (…). The decision to remedy the technical deficiencies of the Regulations with retroactive effect was taken before 7 March 1991, namely before the date when the Leeds and the National & Provincial issued their writs (…) and without regard to the imminent launch of the first set of restitution proceedings. Although section 53 had the effect of extinguishing the restitution claims of those two applicant societies, it does not appear to the Court that the ultimate aim of the measure was without reasonable foundation having regard to the public-interest considerations which underpinned the proposal to legislate with retroactive effect and Parliament’s endorsement of that proposal.”
Dat de beroepen van de Building Societies die procedures zijn opgestart na het moment van aankondiging van de wetswijziging zijn afgewezen kan ik goed volgen. Zij moesten er vanaf dat moment rekening mee houden dat de oude situatie hersteld zou worden. Dat ligt anders voor de twee Building Societies wier procedures op dat moment al waren opgestart. Het EHRM lijkt belang toe te kennen aan het feit dat het besluit om de wet met terugwerkende kracht achter de schermen al was genomen toen die procedures een aanvang namen. Dat argument is ronduit zwak, tenzij die twee Building Societies daarvan wisten voordat zij hun vorderingen instelden, maar daarvoor heb ik in het arrest geen aanwijzingen aangetroffen. Wat het arrest in ieder geval duidelijk maakt is dat het EHRM het een zwaarwegend publiek belang vindt dat wordt voorkomen dat belastingplichtigen ongerechtvaardigd grootschalig profiteren van een onbedoeld technisch gebrek in de wet. Als zo een situatie zich voordoet dan is wetgeving met terugwerkende kracht gerechtvaardigd om ervoor te zorgen dat de belastingheffing volgens de oorspronkelijke en voor de belastingplichtigen steeds duidelijke en ongewijzigde bedoeling van de wetgever kan plaatsvinden.