NJB 2025/597:Straftoemetingsvrijheid en motiveringsplicht bij strafmaatverweer conform art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv: herhaling en toepassing consistente rechtspraak onder meer inhoudende dat de Hoge Raad zich als cassatierechter terughoudend opstelt bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. In casu heeft het hof het strafmaatverweer op toereikende gronden verworpen door de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt van de verdediging dat de verdachte zijn leven weer op orde heeft, terwijl is ingegaan op de stelling dat de verdachte geen recidive zou hebben en er verder een aanzienlijke strafvermindering is toegepast vanwege het tijdsverloop in de strafzaak. Het hof hoefde het door de verdediging aangevoerde over de negatieve gevolgen die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben voor het werk van de verdachte, zijn huurwoning en het psychisch welzijn van zijn partner, niet op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.