Vgl. de conclusie van Van Wees van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:549, die voorafging aan HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:737.Zie verder HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde, rov. 3.4-3.5.4; HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, rov. 2.3.2; HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, rov. 2.3; HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900, rov. 2.3.1.-2.5 (en de conclusie van Frielink van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:404, die daaraan voorafging).
HR, 11-03-2025, nr. 23/03763
ECLI:NL:HR:2025:294
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-03-2025
- Zaaknummer
23/03763
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:294, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3874
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1374
ECLI:NL:PHR:2024:1374, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:294
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑04‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0088
NJ 2025/122 met annotatie van J.M. ten Voorde
Uitspraak 11‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen handel in hennep, meermalen gepleegd (art. 3.B Opiumwet) en (medeplegen) aanwezig hebben van hennep en hasjiesj (art. 3.C Opiumwet). Strafmotivering (gevangenisstraf van 16 maanden). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. strafoplegging, art. 359.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter en betekenis van art. 359.2 Sv voor motivering van strafoplegging. Verdediging heeft bij behandeling van zaak in hoger beroep bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar forse taakstraf, al dan niet in combinatie met lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft raadsman aangevoerd dat vrouw van verdachte ziek is, dat verdachte sinds zijn opname in afkickkliniek geen terugval heeft gehad en dat hij fulltime werk en eigen woning heeft. Verder heeft raadsman het hof verzocht rekening te houden met tijdsverloop van behandeling van strafzaak en aangevoerd dat verdachte “geen recidive” zou hebben. Ook heeft hij naar voren gebracht dat Rb in vergelijking met andere uitspraak van hof erg hoge straf heeft opgelegd. Hof heeft in zijn arrest overwogen dat door raadsman straftoemetingsverweer is gevoerd. Hof heeft verder overwogen dat het zich verenigt met vonnis in eerste aanleg en met gronden waarop dit berust. Zodoende heeft hof ook strafmaatoverwegingen Rb overgenomen en dus bij bepalen van op te leggen straf o.m. in aanmerking genomen dat verdachte na jarenlange drugsverslaving inmiddels “clean” is, afstand heeft genomen van drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt, en daarbij ook gemotiveerd waarom substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf passende reactie vormt op bewezenverklaarde. Daarmee heeft hof redenen opgegeven waarom het is afgeweken van zowel in e.a. als in h.b. naar voren gebracht standpunt van verdediging v.zv. dit inhoudt dat verdachte zijn leven weer op orde heeft. Ook op stelling dat verdachte “geen recidive” zou hebben, is in overgenomen strafmaatoverwegingen ingegaan. Verder is rekening gehouden met tijdsverloop in strafzaak tot en met behandeling in e.a., wat tot (aanzienlijke) strafvermindering heeft geleid. Wat verdediging in h.b. verder nog heeft aangevoerd over negatieve gevolgen die oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben voor werk van verdachte, zijn huurwoning en psychisch welzijn van zijn partner, heeft hof kennelijk niet opgevat als uos a.b.i. art. 359.2 Sv. Dat oordeel is (mede in aanmerking genomen dat in h.b. nader aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet verder zijn uitgewerkt of aan hand van stukken zijn onderbouwd) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 23/03765.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03763
Datum 11 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 september 2023, nummer 20-002897-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor – kort gezegd – (het medeplegen van) de handel in hennep en het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter naar zijn persoonlijke omstandigheden:
Het gaat op dit moment goed met mij. In 2017 gebruikte ik nog veel drugs. Inmiddels heb ik het licht gezien. Ik ben weer gaan werken. Ik ben fulltime constructieschilder. Direct na 1 september 2017 ben ik werk gaan zoeken. Het is erg moeilijk geweest om werk te vinden. Gelukkig is het uiteindelijk toch gelukt. In de tussentijd heb ik ook een nierziekte gehad.
Ik heb hulp gezocht om af te kicken van mijn drugsverslaving. Dat is goed gegaan. Ik heb tien jaar lang een drugsprobleem gehad. Als ik nu terugkijk zou ik willen dat ik eerder was gestopt met het gebruiken van drugs. Ik zou het jammer vinden als mijn leven wordt verstoord door de straf die ik ga krijgen in deze strafzaak. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor mijn partner erg ingrijpend zijn. Ook voor mijn werk en huurwoning zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen goede zaak zijn.
De advocaat-generaal vraagt mij of ik volledig ben gestopt met het gebruiken van drugs. Daarop antwoord ik dat ik na een aanhouding voor diefstal in 2020 volledig ben gestopt met het gebruiken van drugs. Ik heb in 2020 een velg van een autowiel gestolen. Dit deed ik, omdat de velgen van mijn eigen auto, af waren gehaald. Het is heel dom dat ik dat gedaan heb. Toentertijd ging ik zonder na te denken door het leven. Ik pleegde veel strafbare feiten om mijn drugsverslaving te bekostigen.
Mijn raadsman vraagt mij of ik nerveus ben. Daarop antwoord ik dat ik dat ben. Ik klap helemaal dicht. Ik kan niet luchtig doen over wat er de afgelopen periode gebeurd is. Ik heb een zware tijd achter de rug. Mijn partner heeft suïcidale gedachtes gehad. Ik vind het heel erg dat het zover heeft moeten komen. Ik had me anders moeten opstellen tegenover haar. Dit is het allemaal niet waard geweest. De relatie met mijn partner is op dit moment goed. Het gaat goed met mijn partner. Als ik terug zou moeten naar de gevangenis dan is dat desastreus voor mij, maar ook voor haar. Mijn partner heeft gezegd dat zij niet weet of ze het leven nog aankan als ik terug de gevangenis in moet. Dat doet veel met mij. Ik probeer mijn verantwoordelijkheid te nemen.
(...)
De raadsman voert zijn pleidooi als volgt:
(...) Er zit een lange periode tussen de pleegdatum van de tenlastegelegde feiten en de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg. Ook de behandeling van het hoger beroep is niet snel gegaan.
Er zijn veel strafzaken waar drugshandel gedurende een langere periode ten laste wordt gelegd. Ik wil de feiten in deze strafzaak niet bagatelliseren, het gaat immers om een periode van vijf maanden. Vergeleken met andere zaken waar het gedurende een langere periode handelen in drugs ten laste is gelegd, is dat echter relatief kort. Het gaat in deze strafzaak om een grote hoeveelheid drugs, die in een korte periode is verhandeld. Ik snap het punt van de advocaat-generaal dat men zich minder veilig voelt als er meer in drugs gehandeld wordt. Ik snap dat het niet prettig is om op straat aangesproken te worden met de vraag of je drugs wil kopen. Deze problematiek ontstaat echter vooral door de handel in harddrugs. Daarnaast is er in deze strafzaak geen sprake van gewelddadige gedragingen.
Het is terecht dat de rechtbank in eerste aanleg de duur van de opgelegde straf flink heeft verminderd, omdat de redelijke termijn behoorlijk is geschonden. Ik snap echter niet dat de rechtbank in eerste aanleg stelt dat een gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend is voor deze feiten. In deze strafzaak, is het voorhanden hebben van meer dan 25 kilo hennep tenlastegelegd. Dit, samen met de LOVS-richtlijnen, in ogenschouw nemend, maakt dat de redelijke termijn is geschonden. In het kader van passende straftoemeting is een gevangenisstraf van zestien maanden dan erg fors. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heb ik geprobeerd dit via e-mails kenbaar te maken.
In deze strafzaak speelt mee dat de vrouw van mijn cliënt ziek is. In 2017 was mijn cliënt zwaar drugsverslaafd. Nadat mijn cliënt in 2020 is aangehouden, voor de diefstal van de velgen van een auto, is hij naar een afkickkliniek gegaan. Hij heeft hard gewerkt om zijn leven te beteren. Zijn partner is hier erg blij mee. Mijn cliënt beseft zich dat het opnieuw gebruiken van drugs uit den boze is. Sinds zijn opname in een afkickkliniek heeft mijn cliënt geen terugval gehad. Verder heeft hij een goed netwerk. Hij heeft een partner, werk en een eigen woning. Ook hoeft er, tenzij zijn partner er alleen voor komt te staan, niet gevreesd te worden voor een terugval van mijn cliënt.
Vaak zien we bij misdrijven gerelateerd aan het verhandelen van hennep, dat verdachten de consequenties van hun handelen niet goed overzien. Mijn cliënt heeft vrijwel geen strafbare feiten meer gepleegd sinds september 2017. Mijn cliënt heeft alleen nog een keer velgen van een auto gestolen. Dit deed hij nadat de velgen van zijn eigen auto gestolen waren. Achteraf bleek dat hij de verkeerde velgen heeft gestolen. Dit is een stomme actie geweest. Na de aanhouding voor die diefstal is mijn cliënt afgekickt en sindsdien is hij een ander mens. Ik verzoek uw hof daarom om de eis van de advocaat-generaal niet te volgen. Ik zal uw hof een aantal alternatieve straffen voorleggen.
Hierbij vraag ik uw hof om rekening te houden met het tijdsverloop van de behandeling van deze strafzaak, de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt en het feit dat hij geen recidive heeft op dit feit. Dit alles zou ertoe moeten leiden dat er een andere straf, dan de straf die de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd, wordt opgelegd. Hiervoor verwijs ik naar jurisprudentie van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het gaat om de strafzaak met ECLI-nummer ECLI:GHSHE:2017:257. In die strafzaak is hennephandel gedurende een periode van vier jaar tenlastegelegd. In die strafzaak waren er geen strafmatigende omstandigheden. Het hof heeft de verdachte in die strafzaak toen een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, opgelegd. Die gevangenisstraf is dus korter dan de straf die mijn cliënt in eerste aanleg opgelegd heeft gekregen, terwijl er in die strafzaak geen sprake was van een schending van de redelijke termijn of van enige bijzondere persoonlijke omstandigheden.
In de strafzaak die vandaag in het hoger beroep aan de orde is, is er wel sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarnaast zijn er bijzondere persoonlijke omstandigheden en is er geen sprake van recidive. Het is daarom mijns inziens passend om een taakstraf op te leggen. Deze taakstraf mag best fors zijn. Het uitvoeren van een lange taakstraf zal voor mijn cliënt lastig zijn naast zijn fulltime baan. Hierdoor zal een taakstraf wel degelijk aanvoelen als een zware straf. Tevens zou het passend kunnen zijn om een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit is denk ik echter niet noodzakelijk, gezien het feit dat mijn cliënt geen recidive heeft. Samengevat zou het niet zo moeten zijn dat uw hof de advocaat-generaal per definitie volgt in zijn strafeis. Een lange voorwaardelijke gevangenisstraf geeft het juiste signaal af naar de maatschappij. Het opleggen van een forse taakstraf zou ook passend kunnen zijn.”
2.2.3
Het hof heeft in zijn arrest onder meer overwogen:
“Door de raadsman van de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
(...)
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.”
2.2.4
De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis over de strafoplegging overwogen:
“6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest op te leggen en te volstaan met een taakstraf of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.
De verdachte heeft gedurende circa vijf maanden hennep verhandeld en in totaal 26 kilogram hennep en 696 gram hasjiesj aanwezig gehad. Als leverancier en (mede)bewaarder van de handelsvoorraad heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld in een maandenlange illegale handel in hennep. Kennelijk heeft de verdachte daarbij enkel zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad. Hij overtrad echter de wet en droeg zo ook nog eens bij aan allerlei nadelige gevolgen die gepaard gaan met het gebruik en de handel van die drugs. Te denken valt aan gezondheidsproblemen voor gebruikers, verslavingen, maatschappelijke overlast en zelfs andere criminaliteit zoals geweld. Dat heeft de verdachte echter niet weerhouden.
De verdachte had ook beter moeten weten: hij is immers diverse malen eerder veroordeeld wegens drugsfeiten en ten tijde van deze feiten liep de verdachte bovendien in een proeftijd, óók naar aanleiding van een eerdere veroordeling wegens onder meer drugsfeiten.
Wel positief lijken de ontwikkelingen sindsdien te zijn: uit het reclasseringsadvies van 30 oktober 2019 volgt dat de verdachte na een jarenlange drugsverslaving inmiddels clean is, afstand heeft genomen van het drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat dit nog steeds zo is.
Vooral gelet op de forse omvang van de hennephandel zoals kan worden afgeleid uit de aangetroffen voorraad en de grote tassen die telkens geleverd werden is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend en geboden is. Rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend voor deze feiten.
De rechtbank zal evenwel ook rekening houden met het tijdsverloop. De redelijke termijn is na de inverzekeringstelling op 1 september 2017, thans op 1 december 2021 met twee jaren en drie maanden overschreden. Gelet op deze fikse overschrijding zal de rechtbank circa 1/3 van het uitgangspunt in mindering brengen, waardoor een gevangenisstraf van 16 maanden resteert.
De rechtbank zal [verdachte] veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van voorarrest.”
2.3
In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
2.4.1
In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de feitenrechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de feitenrechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
2.4.2
De onder 2.3 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf als bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.
2.4.3
Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.
2.4.4
Waar het gaat om de motiveringsverplichting van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de feitenrechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de feitenrechter daarvan juist zou moeten afzien. De feitenrechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door de feitenrechter genoemde gronden voor de opgelegde straf. (Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.)
2.5.1
De verdediging heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep bepleit om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een forse taakstraf, al dan niet in combinatie met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de vrouw van de verdachte ziek is, dat de verdachte sinds zijn opname in een afkickkliniek geen terugval heeft gehad en dat hij fulltime werk en een eigen woning heeft. Verder heeft de raadsman het hof verzocht rekening te houden met het tijdsverloop van de behandeling van de strafzaak en aangevoerd dat de verdachte “geen recidive” zou hebben. Ook heeft hij naar voren gebracht dat de rechtbank in vergelijking met een andere uitspraak van het hof een erg hoge straf heeft opgelegd.
2.5.2
Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat door de raadsman van de verdachte een straftoemetingsverweer is gevoerd. Het hof heeft verder overwogen dat het zich verenigt met het vonnis in eerste aanleg en met de gronden waarop dit berust. Zodoende heeft het hof ook de strafmaatoverwegingen van de rechtbank overgenomen en dus bij het bepalen van de op te leggen straf onder meer in aanmerking genomen dat de verdachte na een jarenlange drugsverslaving inmiddels ‘clean’ is, afstand heeft genomen van het drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt, en daarbij ook gemotiveerd waarom een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt op het bewezenverklaarde. Daarmee heeft het hof de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt van de verdediging voor zover dit inhoudt dat de verdachte (kort gezegd) zijn leven weer op orde heeft. Ook op de stelling dat de verdachte “geen recidive” zou hebben, is in de overgenomen strafmaatoverwegingen ingegaan. Verder is rekening gehouden met het tijdsverloop in de strafzaak tot en met de behandeling in eerste aanleg, wat tot een (aanzienlijke) strafvermindering heeft geleid. Wat de verdediging in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd over de negatieve gevolgen die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben voor het werk van de verdachte, zijn huurwoning en het psychisch welzijn van zijn partner, heeft het hof kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel is – mede in aanmerking genomen dat de in hoger beroep nader aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet verder zijn uitgewerkt of aan de hand van stukken zijn onderbouwd – niet onbegrijpelijk.
2.5.3
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2025.
Conclusie 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Slagende klacht dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom het is afgeweken van een UOS over de strafoplegging. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Samenhang met 23/03765.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03763
Zitting 17 december 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 september 2023 het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 december 2021 bevestigd.
2. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast had de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf die eerder was opgelegd in de zaak met parketnummer 03/098980-15, afgewezen.
3. Er bestaat samenhang met de zaak 23/03765. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
5. Het middel komt op tegen de strafmotivering, en bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
De strafmotivering
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 september 2023 met daarin de verweren van de verdediging houdt, voor zover relevant, het volgende in (onderstrepingen mijnerzijds):
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter naar zijn persoonlijke omstandigheden:
Het gaat op dit moment goed met mij. In 2017 gebruikte ik nog veel drugs. Inmiddels heb ik het licht gezien. Ik ben weer gaan werken. Ik ben fulltime constructieschilder. Direct na 1 september 2017 ben ik werk gaan zoeken. Het is erg moeilijk geweest om werk te vinden. Gelukkig is het uiteindelijk toch gelukt. In de tussentijd heb ik ook een nierziekte gehad.
Ik heb hulp gezocht om af te kicken van mijn drugsverslaving. Dat is goed gegaan. Ik heb tien jaar lang een drugsprobleem gehad. Als ik nu terugkijk zou ik willen dat ik eerder was gestopt met het gebruiken van drugs. Ik zou het jammer vinden als mijn leven wordt verstoord door de straf die ik ga krijgen in deze strafzaak. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor mijn partner erg ingrijpend zijn. Ook voor mijn werk en huurwoning zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen goede zaak zijn.
De advocaat-generaal vraagt mij of ik volledig ben gestopt met het gebruiken van drugs. Daarop antwoord ik dat ik na een aanhouding voor diefstal in 2020 volledig ben gestopt met het gebruiken van drugs. Ik heb in 2020 een velg van een autowiel gestolen. Dit deed ik, omdat de velgen van mijn eigen auto, af waren gehaald. Het is heel dom dat ik dat gedaan heb. Toentertijd ging ik zonder na te denken door het leven. Ik pleegde veel strafbare feiten om mijn drugsverslaving te bekostigen.
Mijn raadsman vraagt mij of ik nerveus ben. Daarop antwoord ik dat ik dat ben. Ik klap helemaal dicht. Ik kan niet luchtig doen over wat er de afgelopen periode gebeurd is. Ik heb een zware tijd achter de rug. Mijn partner heeft suïcidale gedachtes gehad. Ik vind het heel erg dat het zover heeft moeten komen. Ik had mei anders moeten opstellen tegenover haar. Dit is het allemaal niet waard geweest. De relatie met mijn partner is op dit moment goed. Het gaat goed met mijn partner. Als ik terug zou moeten naar de gevangenis dan is dat desastreus voor mij, maar ook voor haar. Mijn partner heeft gezegd dat zij niet weet of ze het leven nog aankan als ik terug de gevangenis, in moet. Dat doet veel met mij. Ik probeer mijn verantwoordelijkheid te nemen.
(…)
De raadsman voert zijn pleidooi als volgt:
(…) Er zit een lange periode tussen de pleegdatum van de tenlastegelegde feiten en de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg. Ook de behandeling van het hoger beroep is niet snel gegaan.
(…)
Het is terecht dat de rechtbank in eerste aanleg de duur van de opgelegde straf flink heeft verminderd, omdat de redelijke termijn behoorlijk is geschonden. Ik snap echter niet dat de rechtbank in eerste aanleg stelt dat een gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend is voor deze feiten. In deze strafzaak, is het voorhanden hebben van meer dan 25 kilo hennep tenlastegelegd. Dit, samen met de LOVS-richtlijnen, in ogenschouw nemend, maakt dat de redelijke termijn is geschonden. In het kader van passende straftoemeting is een gevangenisstraf van zestien maanden dan erg fors. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heb ik geprobeerd dit via e-mails kenbaar te maken.
In deze strafzaak speelt mee dat de vrouw van mijn cliënt ziek is. In 2017 was mijn cliënt zwaar drugsverslaafd. Nadat mijn cliënt in 2020 is aangehouden, voor de diefstal van de velgen van een auto, is hij naar een afkickkliniek gegaan. Hij heeft hard gewerkt om zijn leven te beteren. Zijn partner is hier erg blij mee. Mijn cliënt beseft zich dat het opnieuw gebruiken van drugs uit den boze is. Sinds zijn opname in een afkickkliniek heeft mijn cliënt geen terugval gehad. Verder heeft hij een goed netwerk. Hij heeft een partner, werk en een eigen woning. Ook hoeft er, tenzij zijn partner er alleen voor komt te staan, niet gevreesd te worden voor een terugval van mijn cliënt.
Vaak zien we bij misdrijven gerelateerd aan het verhandelen van hennep, dat verdachten de consequenties van hun handelen niet goed overzien. Mijn cliënt heeft vrijwel geen strafbare feiten meer gepleegd sinds september 2017. Mijn cliënt heeft alleen nog een keer velgen van een auto gestolen. Dit deed hij nadat de velgen van zijn eigen auto gestolen waren. Achteraf bleek dat hij de verkeerde velgen heeft gestolen. Dit is een stomme actie geweest. Na de aanhouding voor die diefstal is – mijn cliënt afgekickt en sindsdien is hij een ander mens. Ik verzoek uw hof daarom om de eis van de advocaat-generaal niet te volgen. Ik zal uw hof een aantal alternatieve straffen voorleggen.
Hierbij vraag ik uw hof om rekening te houden met het tijdsverloop van de behandeling van deze strafzaak, de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt en het feit dat hij geen recidive heeft op dit feit. Dit alles zou ertoe moeten leiden dat er een andere straf, dan de straf die de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd, wordt opgelegd,. Hiervoor verwijs ik naar jurisprudentie van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. (…)
In de strafzaak die vandaag in het hoger beroep aan de orde is, is er wel sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarnaast zijn er bijzondere persoonlijke omstandigheden en is er geen sprake van recidive. Het is daarom mijns inziens passend om een taakstraf op te leggen. Deze taakstraf mag best fors zijn. Het uitvoeren van een lange taakstraf zal voor mijn cliënt lastig zijn naast zijn fulltime baan. Hierdoor zal een taakstraf wel degelijk aanvoelen als een zware straf. Tevens zou het passend kunnen zijn om een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit is denk ik echter niet noodzakelijk, gezien het feit dat mijn cliënt geen recidive heeft. Samengevat zou het niet zo moeten zijn dat uw hof de advocaat-generaal per definitie volgt in zijn strafeis. Een lange voorwaardelijke gevangenisstraf geeft het juiste signaal af naar de maatschappij. Het opleggen van een forse taakstraf zou ook passend kunnen zijn.
(…)”
7. Uit het bestreden arrest d.d. 25 september 2023 blijkt dat het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte op de zitting in hoger beroep is aangevoerd, (uitdrukkelijk) heeft aangemerkt als een straftoemetingsverweer. Daarnaast blijkt uit het arrest dat het hof zich heeft verenigd met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.
8. Blijkens het vonnis d.d. 1 december 2021 heeft de rechtbank de strafoplegging als volgt gemotiveerd (onderstrepingen mijnerzijds):
“Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank overweegt in het bijzonder als voIgt.
De verdachte heeft gedurende circa vijf maanden hennep verhandeld en in totaal 26 kilogram hennep en 696 gram hasjiesj aanwezig gehad.
Als leverancier en (mede)bewaarder van de handelsvoorraad heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld in een maandenlange illegale handel in hennep. Kennelijk heeft de verdachte daarbij enkel zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad. Hij overtrad echter de wet en droeg zo ook nog eens bij aan allerlei nadelige gevolgen die gepaard gaan met het gebruik en de handel van die drugs. Te denken valt aan gezondheidsproblemen voor gebruikers, verslavingen, maatschappelijke overlast en zelfs andere criminaliteit zoals geweld. Dat heeft de verdachte echter niet weerhouden.
De verdachte had ook beter moeten weten: hij is immers diverse malen eerder veroordeeld wegens drugsfeiten en ten tijde van deze feiten liep de verdachte bovendien in een proeftijd, ook naar aanleiding van een eerdere veroordeling wegens onder meer drugsfeiten.
Wel positief lijken de ontwikkelingen sindsdien te zijn: uit het reclasseringsadvies van 30 oktober 2019 volgt dat de verdachte na een jarenlange drugsverslaving inmiddels clean is, afstand heeft genomen van het drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat dit nog steeds zo is.
Vooral gelet op de forse omvang van de hennephandel zoals kan worden afgeleid uit de aangetroffen voorraad en de grote tassen die telkens geleverd werden is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend en geboden is. Rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend voor deze feiten.
De rechtbank zal evenwel ook rekening houden met het tijdsverloop. De redelijke termijn is na de inverzekeringstelling op 1 september 2017, thans op 1 december 2021 met twee jaren en drie maanden overschreden. Gelet op deze fikse overschrijding zal de rechtbank circa 1/3 van het uitgangspunt in mindering brengen, waardoor een gevangenisstraf van 16 maanden resteert.
De rechtbank zal [verdachte] veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van voorarrest. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking, komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.”
9. Voor de beoordeling van het middel acht ik tot slot van belang een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 en 29 september en 1 december 2021. Dit proces-verbaal houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de [verdachte] :
In 2017 was ik zwaar verslaafd aan cocaïne en sinds 2018 ben ik clean. Ik woonde een periode – samen met mijn vrouw – bij [betrokkene 1] , maar dat is niet meer het geval. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden.
Na een korte pauze bepleit de raadsman het volgende inzake (…) [verdachte] :
(…)
De [verdachte] heeft een strafblad en een drugsverleden, maar hij is een behoorlijke tijd goed bezig en houdt zich niet meer bezig met criminele zaken. (…) Daarbij dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop. De verdediging heeft geen onderzoekswensen ingediend dus de vertraging is niet aan de verdachte te wijten. In het verleden heeft de [verdachte] het moeilijk gehad met zijn drugsverslaving. Hij moet dan ook niet worden teruggestuurd naar de gevangenis. Een behoorlijke taakstraf mag volgen.”
Het beoordelingskader
10. Volgens vaste rechtspraak beschikt de feitenrechter over een ruime straftoemetingsvrijheid. In HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:737, heeft de Hoge Raad de verplichting tot motivering van de strafoplegging – onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak – als volgt uiteengezet (onderstrepingen mijnerzijds):
“2.3 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
2.4.1 In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
2.4.2 De onder 2.3 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf als bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.
2.4.3 Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.
2.4.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”1.
De bespreking van het middel
11. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ betreft dat strekt tot oplegging van een andere straf dan een gevangenisstraf, te weten een taakstraf (gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf). Geklaagd wordt dat het hof, “door het vonnis kaal te bevestigen”, in zijn strafmotivering aan de voorgestelde afdoeningsmodaliteit “niet kenbaar aandacht heeft besteed” en zodoende heeft verzuimd om te responderen op dit standpunt (hetgeen aanleiding geeft tot nietigheid van het arrest).
12. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep (onder meer) gewezen op het tijdsverloop in de zaak en op de persoonlijke situatie van de verdachte. In het bijzonder is aangevoerd dat de verdachte sinds september 2017 (op een diefstal na) geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, dat hij na zijn aanhouding in 2020 is afgekickt van zijn drugsverslaving en dat hij sindsdien geen terugval heeft gehad. Bovendien heeft de verdachte “een goed netwerk”, een partner, werk en een eigen huurwoning. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte zelf verklaard dat het niet alleen voor zijn partner erg ingrijpend zou zijn, maar dat het ook voor zijn werk en huurwoning “geen goede zaak” is als hij een vrijheidsbenemende straf krijgt opgelegd. De verdediging heeft het hof verzocht om de strafmodaliteit te wijzigen en in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf (gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf) op te leggen, temeer nu een taakstraf door de verdachte – wegens zijn fulltime baan – reeds als een zware straf zal worden ervaren.
13. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, gekwalificeerd als een straftoemetingsverweer. In dat oordeel ligt besloten dat het hof het verweer heeft beschouwd als een standpunt als bedoeld in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, te weten een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Daarover bestaat in cassatie dan ook geen discussie.
14. Zoals gezegd heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het hof heeft zich voor wat betreft de strafoplegging achter de motivering van de rechtbank geschaard. Het heeft daarmee kennelijk geoordeeld dat de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onverminderd opgaan voor het straftoemetingsverweer dat in hoger beroep is gevoerd. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk. Ik licht toe waarom.
15. Naar het mij voorkomt kan niet worden gesteld dat hetgeen in hoger beroep (op 11 september 2023) is aangevoerd, in het bijzonder over de persoon van de verdachte, ‘hetzelfde’ verweer betreft als het verweer dat bijna twee jaar daarvoor ten overstaan van de rechter in eerste aanleg (op 28 en 29 september 2021) is gevoerd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan immers worden afgeleid dat de verdachte inmiddels geruime tijd langer is afgekickt van zijn drugsverslaving en dat hij sindsdien (nagenoeg) geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Bovendien is, anders dan in eerste aanleg, betoogd dat de verdachte intussen werk heeft gevonden en dat hij een huurwoning heeft.
16. Gelet op de veranderde persoonlijke omstandigheden, en in aanmerking genomen dat de rechtbank in het kader van de persoon van de verdachte in de kern niet meer heeft overwogen dan dat “uit het reclasseringsadvies van 30 oktober 2019 volgt dat de verdachte na een jarenlange drugsverslaving inmiddels clean is, afstand heeft genomen van het drugsmilieu en met zijn gezin een nieuwe start heeft gemaakt”, had het hof de strafoplegging m.i. nader moeten motiveren. Het middel klaagt daarover terecht.
Slotsom
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑12‑2024
Beroepschrift 27‑04‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Griffienummer: S 23/03763
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]-1967,
requirant van cassatie (hierna te noemen: requirant),
voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te (6224 AH) Maastricht aan de Meerssenerweg 273A ten kantore van zijn raadsman, mr. H.M.W. Daamen, advocaat, die door hem bepaaldelijk is gemachtigd deze cassatieschriftuur te ondertekenen en in te dienen;
dat requirant ter zake een hem betreffend arrest van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, uitgesproken op 25-09-2023 onder parketnummer 20-002897-21, het navolgende middel van cassatie voordraagt:
Middel 1 Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strafmodaliteit
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
doordat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot oplegging van een forse taakstraf in combinatie met een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Toelichting op het middel
1.1
Het hoger beroep is zowel door requirant als zijn raadsman als strafmaatappel aangeduid.1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft requirant het hof verzocht hem niet terug te sturen naar de gevangenis.2.
1.2
Vervolgens heeft de raadsman van requirant bij pleidooi verzocht requirant niet naar de gevangenis te sturen maar hem een forse taakstraf en een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.3.
1.3
Daartoe heeft hij, kort en zakelijk weergegeven, gewezen op:
- •
het tijdsverloop in de zaak, waarin in eerste aanleg de redelijke termijn behoorlijk is geschonden;
- •
de ernst van het bewezenverklaarde;
- •
de persoonlijke situatie van requirant, i.h.b. de ziekte van diens vrouw en zijn afkicken van drugs. Daarnaast heeft requirant nu een woning en werk, welke hij dreigt te verliezen bij een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf;
- •
het niet plegen van gelijksoortige strafbare feiten sinds 2017;
- •
rechtspraak van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch.
1.4
Aldus is sprake van een standpunt dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Derhalve is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering.
1.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank integraal bevestigd. Daarin is requirant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. Met die bevestiging is het hof dus van het hiervoor omschreven standpunt afgeweken.
1.6
Het hof heeft niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Door het vonnis ‘kaal’ te bevestigen (bestreden arrest, p. 2) heeft het daarin niet kenbaar aandacht besteed aan de namens requirant voorgestelde afdoeningsmodaliteit van een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
1.7
Vergelijk ECLI:NL:HR:2008:BD4870, waarin het hof wel had voldaan aan het zesde lid van artikel 359 Wetboek van Strafvordering, maar niet aan het tweede lid:
‘2.5.
In het onderhavige geval is art. 359, zesde lid, Sv van toepassing omdat het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als in art. 359, tweede lid, Sv bedoeld. Het Hof is in zijn arrest van dit standpunt afgeweken door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand op te leggen. Het heeft die straf gemotiveerd als hiervoor weergegeven. Daarmee is voldaan aan het voorschrift van art. 359, zesde lid, Sv. Het heeft evenwel niet — in strijd met art. 359, tweede lid, Sv — in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het door de verdediging ingenomen standpunt. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.’
1.8
Zie ook ECLI:NL:HR:2012:BX4987.
1.9
Dat verzuim heeft ingevolge artikel 359 lid 8 juncto artikel 415 Wetboek van Strafvordering de nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.
Reden waarom het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
Maastricht, 27 april 2024
mr. H.M.W. Daamen