Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.1
4.2.1 Alternatieven
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439127:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, B.S. 27 juli 2004. Een bespreking van de (ontwerp)wet is te vinden bij J. Erauw, 'Het voorstel van Belgisch wetboek van internationaal privaatrecht en zijn algemene bepalingen', in: Themanummer: Codificatie van IPR — Algemene Bepalingen, WPNR (2003) 6537, p. 481-490.
De Belgische IPR-Wet kent echter wel een forum non conveniens-correctie voor een prorogerende forumkeuze. Zie art. 6, §2: 'In de gevallen beschreven in § 1 [forumkeuze ten gunste van de Belgische rechter, Fl], kan de rechter evenwel zijn bevoegdheid weigeren wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat het geschil geen enkele betekenisvolle band met België heeft.' Volgens de Toelichting mag hiervan slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt. Een voldoende nauwe band bestaat reeds als een der partijen in België woonplaats heeft of de rechter Belgisch recht op het geschil zou moeten toepassen.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 42 (MvT).
In dit verband kan worden gewezen op het Engelse recht, waarin de eiser in de regel toestemming van de rechter nodig heeft om een buiten de Europese Unie woonachtige verweerder in Engeland te kunnen dagvaarden (`service out of the jurisdiction'). Toestemming wordt alleen verleend als de eiser bewijst dat Engeland 'the clearly appropriate forum for trial' is. Zie nader Dicey & Morris (2000), p. 404-405.
Er zijn alternatieven denkbaar voor de wijze waarop de Nederlandse wetgever de commune rechtsmachtregeling voor verzoekschriftprocedures heeft ingericht. De huidige regeling kenmerkt zich door een hoofdregel (art. 3 sub a Rv), aangevuld met een vooraf ongedefinieerde forum conveniens-bepaling (art. 3 sub c Rv) en extra gronden voor rechtsmacht (art. 6, 6a Rv). Een alternatief zou zijn geweest om, zoals dat is gebeurd voor de procedures inzake echtscheiding (art. 4 Rv) en de ouderlijke verantwoordelijkheid buiten echtscheiding (art. 5 Rv), de bevoegdheidsgronden voor de verschillende soorten procedures naar onderwerp uit te schrijven. Het voordeel hiervan is dat de omvang van iedere bevoegdheidsgrond volledig afgestemd kan worden op de aard van de specifieke procedure. Hiermee neemt de behoefte aan een forum non conveniens-beperking alsmede een forum conveniens-uitbreiding af.
Voor dit systeem is gekozen in de op 1 oktober 2004 in werking getreden Belgische IPR-Wet, welke thematisch is ingericht.1 Na een algemeen hoofdstuk worden in afzonderlijke afdelingen voor verschillende onderwerpen (bijvoorbeeld staat en bekwaamheid van natuurlijke personen, ouderlijk gezag, bescherming van onbekwamen, namen, afwezigheid, afstamming en adoptie) specifieke bepalingen gegeven omtrent rechtsmacht en toepasselijk recht. Een mogelijkheid tot forum non conveniens ontbreekt.2 De Nederlandse wetgever heeft voor een beperkte thematische inrichting gekozen, omdat 'het niet doenlijk is in de wet een complete opsomming te geven van de relevante aanknopingspunten in de hier bedoelde zaken.' 3 De thematische inrichting beperkt zich tot de in art. 4, 5 en 6 Rv genoemde onderwerpen.
Een ander minder fraai alternatief is om voor de commune rechtsmacht ter zake van verzoekschriftprocedures te volstaan met een algemene wettelijke forum conveniens-bepaling.4 De rechter heeft dan rechtsmacht in alle gevallen waarin de zaak voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer heeft, zonder op voorhand te definiëren wanneer zulks het geval is. Het nadeel hiervan is dat vooraf niet duidelijk wordt in welke gevallen de Nederlandse rechter als forum conveniens bevoegdheid kan aannemen. Het is dan de taak van de rechtspraak om het criterium nadere invulling te geven.