Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1
Hoofdstuk 1 Inleiding
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661382:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de Belastingdienst in zijn Jaarplan 2022, p. 6 ligt het vertrouwen in de Belastingdienst op het laagste niveau sinds de aanvang van de metingen.
Over dit thema schreef ik eerder in o.a. Cramwinckel 2020, Cramwinckel 2016a, Cramwinckel 2014a, Cramwinckel 2014b, Cramwinckel 2013. In dit onderzoek bouw ik hierop voort.
Belastingdienst Jaarplan 2022, p. 6; Rijksbegroting 2021 (Ministerie van Financiën), Kamerstukken II 2020/2021, 35570 IX, nr. 2, p. 87. Zie verder paragraaf 2.3.3 en hoofdstuk 3.
Het vertrouwen in de Belastingdienst staat onder druk.1 Het vertrouwen dat burgers hebben in een zorgvuldige taakuitoefening door de Belastingdienst is niet meer vanzelfsprekend. Ongetwijfeld hebben het ‘Ongekende Onrecht’ uit de Kinderopvangtoeslagaffaire, de voortdurende ICT-problemen en de doorgeslagen fraudebestrijding met ‘zwarte lijsten’ (Fraudesignaleringsvoorziening) niet geholpen, maar de problematiek is breder. Er speelt ook een andere, minder zichtbare ontwikkeling, namelijk dat de juridische werkelijkheid en de werkelijkheid van de burger uiteen lijken te lopen. Juristen lijken te leven in hun eigen wereld en spreken hun eigen taal, die niet gelijk is aan die van burgers.
Het perspectief van burgers wordt vanuit het juridisch perspectief – zo blijkt – niet altijd voldoende onderkend. Ook bij een beroep op het vertrouwensbeginsel doet dit fenomeen zich voor. De Belastingdienst staat bij de uitvoering van vaak complexe belastingwetten voor de uitdaging de materie te ‘vertalen’ naar begrijpelijke informatie voor burgers.2 Noodgedwongen heeft de Belastingdienst in zijn publieksvoorlichting een brug te slaan tussen enerzijds de juridische werkelijkheid en anderzijds die van de burger, maar ook bij voorlichting kunnen zaken misgaan. Het juridische uitgangspunt is dan dat burgers niet kunnen vertrouwen op achteraf onjuist gebleken voorlichting. De burger, daarentegen, heeft vanuit zijn perspectief niets anders gedaan dan de informatie van de Belastingdienst volgen.
Het tanende vertrouwen van de samenleving in de Belastingdienst zet de (vrijwillige) nalevingsbereidheid van de fiscale verplichtingen van burgers onder druk. Dat is niet zonder risico. De Belastingdienst is namelijk sterk afhankelijk van het vertrouwen dat de samenleving in hem heeft.3 De uiteenlopende perspectieven van enerzijds het in juridische zin aan voorlichting te ontlenen vertrouwen en anderzijds het vanuit het burgerperspectief aan voorlichting te ontlenen vertrouwen, veroorzaakt een spanningsveld tussen beide werelden. Als burgers niet kunnen afgaan op voorlichting doordat het juridisch perspectief te sterk afwijkt van het burgerperspectief, rijst de vraag naar de houdbaarheid van de stand van het recht.
Tegen deze achtergrond is onderzoek nodig naar de wijze waarop vanuit het juridisch perspectief en burgerperspectief wordt gekeken naar de verwachtingen die burgers ontlenen aan voorlichting van de Belastingdienst. Is de huidige koers in de rechtspraak (‘geen vertrouwen, tenzij’) wel voldoende in overeenstemming met het burgerperspectief of is herijking nodig?
1.1 Kan de burger vertrouwen op voorlichting?1.2 Aanleiding voor het onderzoek1.3 Doel van het onderzoek, onderzoeksvragen en beoordelingskader1.4 Belang van het onderzoek1.5 Afbakening van het onderzoek1.6 Methode van onderzoek1.7 Gehanteerde begrippen1.8 Opbouw van het boek