Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.5
1.5 Afbakening van het onderzoek
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661232:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Nicolaï 1990; Schlössels en Zijlstra 2017, par. 8.3.7, punt 319 e.v.; Damen 2018; Van Triet 2021.
Bijv. Nicolaï 1990; Jansen 2013; Happé 1996; Gorissen 2008.
Van Hout 2019b.
In het kader van het bestuursrecht zie Michiels 2017. Algemene zin zie: Van den Bergh 1979; Loth 1991, Mellinkoff 1963; Van Doorn e.a. 1988; Maley 2013; Gerits 2001. Zie ook het themanummer in Ars Aequi over ‘Recht en Taal’ (2015).
Voor een historische ontwikkeling zie Wopereis 1996. Op het terrein van de voorlichtingskunde bijv. de dissertatie van Van den Ban 1963; Van den Ban 1985; Van Woerkum 1982; Katus 1984; Katus en Volmer 2000. In de juridische discipline m.b.t. overheidsvoorlichting o.a. Vogelaar 1995; Wopereis 1996; Schelhaas 1976: Wagenaar 1997.
Van den Heuvel 2018; Rustenburg 2020. Over de taal van de wetgever, zie bijv. Witteveen 2010, hoofdstuk 2 en 3.
Bijv. Lokin 2018.
Zie Pander Maat & Van der Geest 2021; Döring 2021. In opdracht van de Belastingdienst, zie bijv. Renkema e.a. 2012; Renkema e.a. 2013, Renkema en Leuverink 2011.
Bijv. Van den Berge 2016a; Gribnau 1988.
Bijv. Van Kommer 1998; Nijenhuis 2018; Arendsen 2016.
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/48. Pauwels 2009, par. 1.4.
Zie paragraaf 3.4 over gebruik en waardering van voorlichting vanuit de gebruikers en paragraaf 3.2.9 over effectiviteit. Zie voor een analyse van een door de Belastingdienst gemaakte ‘vertaling’ in Cramwinckel 2020, par. 2.4 en 4.1; Cramwinckel 2014a, par. 2 en 3; Cramwinckel 2013b.
Volgens Mertens 2008 moet het voorlichtingsmateriaal van de overheid, digitaal en op papier, ‘van onberispelijke kwaliteit’ zijn, wat een lastige opgave is maar er ‘gelukkig betrekkelijk weinig fouten worden gemaakt’. Zie ook de redactie in V-N 2017/25.17: ‘Voor zover wij hebben kunnen nagaan is de onderhavige zaak de eerste waarin sprake is van een geslaagd beroep op gewekt vertrouwen naar aanleiding van informatie op de website van de Belastingdienst. Met de kwaliteit van de informatie op de website van de Belastingdienst zit het dus kennelijk in het algemeen wel goed.’ Met die gevolgtrekking van de redactie ben ik het niet eens, want het slagen van een beroep op het vertrouwensbeginsel is niet afhankelijk (gesteld) van de kwaliteit van de voorlichting, maar van de toepassingscriteria van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.3).
Het onderwerp van dit onderzoek raakt aan veel thema’s, dus dat vraagt om een heldere afbakening en verantwoording van de gemaakte keuzes. Het terrein van dit onderzoek betreft door voorlichting van de Belastingdienst bij de burger gewekte verwachtingen in het belastingrecht. Dat raakt aan onder andere:
het leerstuk van het vertrouwensbeginsel, ook in het algemene bestuursrecht1;
algemene beginselen van behoorlijk bestuur2;
begrijpelijk (juridisch) taalgebruik3;
de relatie tussen taal en recht4;
(overheids)voorlichting5;
toegankelijkheid en duidelijkheid van (belasting)wetgeving6;
uitvoerbaarheid van (belasting)wetgeving7;
begrijpelijkheid en effectiviteit van communicatie van de overheid8;
verhouding burger-overheid en de rechtsbetrekking tussen de Belastingdienst en burger9;
de (organisatie van de) Belastingdienst als wetsuitvoerder.10
De belangrijkste afbakening houdt in dat dit onderzoek zich niet primair op deze genoemde onderwerpen richt, maar alleen indien en voor zover dat van belang is voor de beantwoording van de onderzoeksvraag.11
Dit onderzoek gaat dus niet over de vraag hoe de Belastingdienst ‘betere’ voorlichting kan geven of hoe de belastingwetgever ‘betere’ wetten kan maken. Evenmin is beoogd te beoordelen in welke mate de Belastingdienst ‘succesvol’12 is in de uitvoering van zijn voorlichtende taak. Het onderzoek geeft ook geen waardeoordeel over de (juridische of taalkundige) kwaliteit13 van de voorlichting. Het onderzoek gaat evenmin over de mate van begrijpelijkheid van voorlichting voor de burger en/of hoe dit communicatief ‘beter’ kan.
Dit onderzoek neemt als vertrekpunt dát de Belastingdienst voorlichting geeft, die bij burgers verwachtingen kan wekken.
1.5.1 Type uiting: voorlichting1.5.2 Rechtsgebied: belastingrecht en vertrouwensbeginsel1.5.3 Doelgroep: burgers1.5.4 Focus op probleemgevallen