Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.7.1:2.1.7.1 §94 lid 1 BGB
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.7.1
2.1.7.1 §94 lid 1 BGB
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644843:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste lid spreekt over „die mit dem Grund und Boden fest verbundenen Sachen”. De verkeersopvatting bepaalt of zaken vast met de grond zijn verbonden.1 Een vaste verbinding is aan te nemen als het bestanddeel niet gemakkelijk van de grond is af te scheiden. Of dit zo is of niet wordt bepaald aan de hand van twee criteria. Allereerst wordt een vaste verbinding met de grond aangenomen als de afscheiding vernietiging of zware beschadiging van het bestanddeel of de grond tot gevolg heeft.2 Ten tweede wordt een vaste verbinding met de grond aangenomen, in het geval waarin de kosten van de afscheiding van het bestanddeel niet in verhouding staan tot de economische waarde van het afgescheiden bestanddeel.3
Over het algemeen zal over een vaste verbinding worden gesproken in het geval zaken deels in de grond zitten, zoals een gebouw dat zijn fundament in de grond heeft of een uitgegraven, in beton gegoten zwembad. Als een zwembad echter niet in de grond maar op de grond is gebouwd dan is het geen wezenlijk bestanddeel. Zo is ook niet elk gebouw een wezenlijk bestanddeel van de grond. Demonteerbare gebouwen zoals barakken, containerhuizen en geprefabriceerde huizen zijn in beginsel geen wezenlijke bestanddelen van de grond, omdat ze gemakkelijk van de grond zijn af te scheiden.4
Het eerste lid van §94 BGB vermeldt voorts dat “Erzeugnisse des Grundstücks” wezenlijke bestanddelen van de grond zijn. Deze voortbrengselen van de grond zijn alle uit de grond ontsproten producten, ongeacht of bij de productie van deze voortbrengselen menselijke arbeid is verricht of niet. Voorbeelden van “Erzeugnisse des Grundstücks” zijn uit de grond groeiende planten en de vruchten van die planten. Ook zaden zijn vanaf het ogenblik dat ze gezaaid zijn te beschouwen als wezenlijke bestanddelen. Of sprake is van kieming, is niet van belang. Planten zijn wezenlijke bestanddelen als ze geplant zijn in de grond. Daarvoor is het niet, zoals naar Romeins recht, vereist dat de planten wortel hebben geschoten.5