Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.4.2
3.4.2 Bepaling van de economische deelgerechtigdheid
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390626:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Dus niet wat hij slechts heeft beloofd in te brengen, HR 29 december 1893, W. 6450 (Liquidatie Rhijnspoorweg).
Dit is géén schuld van de vennootschap aan de vennoot, maar de creditering heeft een boekhoudkundig doel: aan de hand van dit bedrag wordt (i.b.) de winst- en verliesdeling van de vennoot en hetgeen hem toekomt bij ontbinding vastgesteld. Slagter/Assink 2013, p. 1915.
Van Kempen, Cursus BelastingrechtIB.3.2.35.C.c1 (online, laatst bijgewerkt op 22 april 2015).
Van Kempen, Cursus BelastingrechtIB.3.2.35.C.c1 (online, laatst bijgewerkt op 22 april 2015).
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1340, NJ 1994/628.
Er bestaat in beginsel geen recht op teruggave van het in juridische eigendom ingebrachte goed, maar als een goed een bijzondere waarde heeft voor een gewezen vennoot, dan kan hij dit goed eventueel overnemen op grond van art. 3:174 lid 1 BW. Ook kunnen redelijkheid en billijkheid meebrengen dat, als er geen afspraken zijn gemaakt over verdeling maar een of meer gewezen vennoten zetten de onderneming voort, de aan de onderneming gebonden goederen aan de voortzetters worden toegedeeld (Asser/Maeijer 5-V 1995/339).
In HR (Civiele kamer) 24 januari 1947, ECLI:NL:HR:1947:BG9451, NJ 1947/71 (Rouma/Levelt).
HR 3 mei 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3611, NJ 1968/267 (Otten).
Rb. Amsterdam 26 maart 2003, JOR 2004/187, r.o. 4.4.
HR 3 mei 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3611, NJ 1968/267 (Otten)
A-G Langemeijer bij HR 21 november 2008, NJ 2009/116. Wiersma 1970, p. 85-86; Rb. Groningen (pres.) 6 april 1988, ECLI:NL:RBGRO:1988:AH2226, KG 1988/221 (Gebroeders Van Kleef); HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176, r.o. 3.3, NJ 2007/624; HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631, NJ 1999/550.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127, r.o. 3.6.1, RO 2010/47 (Staal/Van Slochteren).
Asser/Maeijer 5-V 1995/316 en HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127, RO 2010/47 (Staal/Van Slochteren).
Hof ’s-Hertogenbosch 19 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5081, r.o. 4.4.4.
Vgl. PHR 12 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3697.
Vgl. PHR 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0382.
HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534, m.nt. W.M. Kleijn.
HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534, m.nt. W.M. Kleijn.
Zie ook de noot bij HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534, m.nt. W.M. Kleijn.
Bij het aangaan van de samenwerking verschijnen de daadwerkelijk1 in juridische of economische eigendom ingebrachte goederen op de vennootschapsbalans. Aan de debetzijde (activa) verschijnen de goederen (samen met de overige vennootschappelijke activa) en aan de creditzijde (passiva) verschijnt de voorwaardelijke schuld aan de inbrenger vanwege zijn kapitaalrekening (bijvoorbeeld als ‘kapitaalrekening vennoot A’ of ‘kapitaal vennoot B’).2 In de kapitaalrekening van de inbrenger komt zijn aanspraak op de VOF tot uitdrukking.3 Het bedrag op de kapitaalrekening kan worden verhoogd met nadien overeengekomen stortingen en verminderd met nadien overeengekomen onttrekkingen. Als de inbrenger uittreedt of als de VOF wordt ontbonden, kan hij zijn aanspraak (dus zijn tegoed volgens de kapitaalrekening) ‘verzilveren’.4
Als de ingebrachte goederen te gelde worden gemaakt en/of als de VOF wordt vereffend en de werkelijke waarde van het ingebrachte ligt op dat moment hoger/lager dan de boekwaarde, dan wordt het verschil beschouwd als winst/verlies van de VOF; waardeveranderingen komen immers voor rekening en risico van de VOF. Onder bijzondere omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat over de kapitaalinbreng renteverrekening moet plaatsvinden.5 In zuiver genot ingebrachte goederen, die voor rekening van de inbrenger blijven, verschijnen niet op de persoonlijke kapitaalrekening noch op de vennootschapsbalans.
Als de samenwerking (ten aanzien van een vennoot) wordt beëindigd, dan wordt met hem afgerekend overeenkomstig de waarde van zijn economische deelgerechtigdheid. Deze waarde wordt bepaald enerzijds door hetgeen een vennoot heeft ingebracht (ieder houdt in beginsel recht op de vermogenswaarde6 van het ingebrachte, voor zover niet opgeteerd door verliezen7) en anderzijds door de grondslag waarop hij deelt in de winsten en verliezen, tenzij is overeengekomen dat de economische deelgerechtigdheid op een andere wijze wordt bepaald.8 De bepaling van wat een (gewezen) vennoot toekomt of van wat hij moet vergoeden, kan verschillen al naar gelang de wijze/oorzaak van de beëindiging van de samenwerking. Zo wordt bij volledige ontbinding van de VOF in de regel afgerekend over de werkelijke waarden van de vennootschappelijke goederen; eventuele stille reserves hebben te gelden als winst van de VOF, waarin iedere vennoot deelt overeenkomstig zijn winstaandeel. Eventuele goodwill zal bij liquidatie van de onderneming en verkoop van de losse vermogensbestanddelen meestal niet meer aanwezig zijn.9 Bij gedeeltelijke ontbinding ten aanzien van een vennoot in verband met zijn uittreden na opzegging of overlijden en voortzetting van de onderneming, wordt in de regel afgerekend op basis van de going concernwaarde, maar bijvoorbeeld afrekening op basis van de waarden die vermeld zijn op de laatst opgemaakte en vastgestelde balans kan ook zijn overeengekomen. De vennoten kunnen ook onderling afspreken om de vergoeding afhankelijk te stellen van toekomstige factoren, bijvoorbeeld door een winstrecht overeen te komen in plaats van een vast bedrag in geld. Kent een vennootschapsovereenkomst slechts een regeling voor de bepaling van de gerechtigdheid van vennoten voor gehele ontbinding, dan moet hierin in beginsel ook de maatstaf worden gezocht voor de berekening van de waarde van de deelgerechtigdheid tijdens het bestaan van de VOF.10
De waarde van de te verdelen goederen wordt in beginsel bepaald naar de waarde op de dag van verdeling.11 Waardeveranderingen tussen het moment van ontbinding en het moment van verdeling komen dus in beginsel voor rekening van de gezamenlijke deelgenoten. Voor in economische eigendom ingebrachte goederen geldt de datum van ontbinding in beginsel als waardepeildatum, omdat de economische eigendom meestal op dat moment weer terugvalt naar de inbrenger.12 Dit laatste betekent echter niet dat de vennoot vanaf dat moment ook altijd weer de vrije beschikking over het goed krijgt; de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de gewezen vennoten het goed nog enige tijd mogen blijven gebruiken.13 Als bij de ontbinding van een huwelijk direct wordt afgesproken dat de onderneming door de man zal worden voortgezet, dan heeft deze afspraak al een ‘verdelingseffect’, zodat voor de vaststelling van de waarde van de onderneming de datum van ontbinding van het huwelijk als waardepeildatum heeft te gelden.14 In het bijzonder de bepaling van goodwill kan ingewikkeld zijn als de economische deelgerechtigdheid van een vennoot moet worden vastgesteld zonder dat van ontbinding sprake is, bijvoorbeeld in verband met de verdeling van een huwelijksgemeenschap na echtscheiding van een vennoot en zijn gewezen echtgenoot. De waarde van de goodwill komt namelijk vaak pas tot uitdrukking zodra de vennoot ‘zijn praktijk overdraagt’15 (er is vaak sprake van veel toekomstige onzekerheden) en bovendien moet de ondernemer in staat zijn om de onderneming lonend te blijven exploiteren.16 In een echtscheidingszaak waarin de waardebepaling van de goodwill in geschil was, oordeelde de Hoge Raad dat bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen, ter bepaling van hun waarde, in beginsel moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, maar dat uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken.17 Het kan dan redelijk zijn om de waarde van de goodwill onbepaald te laten en de echtgenoot-niet-vennoot een vordering toe te kennen ter grootte van de helft van het te zijner tijd aan de vennoot uit te keren bedrag aan goodwill.18 De waardepeildatum moet echter ook weer niet zover naar de toekomst worden geschoven (bijvoorbeeld naar pensioen over 20 jaar) dat de goodwill aanzienlijk in waarde is gedaald door steeds verminderde werkzaamheden van de vennoot.19