De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.1:Paragraaf 3.1 Inleiding
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.1
Paragraaf 3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383395:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit indien men aanneemt dat goodwill geen goed is. Zo bijvoorbeeld Diamant &Wibier 2012. Bij een ‘people’s business’ wordt goodwill vermoed onderdeel te vormen van het vennootschappelijk vermogen, zie Rb. Maastricht 28 november 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BZ5203.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat het vennootschappelijk vermogen centraal. Tot dit vermogen behoren onder andere de gemeenschappelijke goederen, andere rechten dan goederen zoals goodwill1 en de vennootschappelijke schulden. Van het begrip ‘vennootschappelijk vermogen’ moet onderscheiden worden het begrip ‘vennootschappelijke gemeenschap’. De vennootschappelijke gemeenschap bestaat uit de vennootschappelijke goederen die toebehoren aan twee of meer vennoten (vgl. art. 3:166 BW); het vennootschappelijk vermogen omvat méér dan alleen goederen.
De status van het vennootschappelijk vermogen heeft tot de nodige vragen geleid, die in de loop van de jaren gedeeltelijk in wetgeving, rechtspraak en literatuur zijn beantwoord. Omdat de vennootschap onder firma (VOF) geen zelfstandig drager is van rechten en plichten is niet zij, maar zijn de vennoten gezamenlijk rechthebbenden van het vennootschappelijk vermogen. In paragraaf 2 ga ik in op de vraag welke regels dit vennootschappelijk vermogen beheersen en hoe het vennootschappelijk vermogen zich verhoudt tot dat deel van het vermogen van een vennoot dat niet aan de samenwerking dienstbaar is gemaakt (het privévermogen). Ik beschrijf dit zowel voor de situatie waarin de VOF nog actief is als voor de situatie waarin de VOF is ontbonden. Hoe het vennootschappelijk vermogen wordt gevormd en waaruit het bestaat, bespreek ik in paragraaf 3. Paragraaf 4 gaat over het economische belang van de vennoten in de VOF. Daarna behandel ik de gevolgen van het faillissement van een vennoot respectievelijk het faillissement van de VOF voor het voortbestaan van de vennootschap en voor het vennootschappelijk vermogen (paragraaf 5), gevolgd door een bespreking van de positie van zaaks- en privécrediteuren (paragraaf 6). Ten slotte zal ik in paragraaf 7 de vraag beantwoorden wat in goederenrechtelijk opzicht de positie van de VOF is ten opzichte van de vennoten en ten opzichte van derden. Daarbij geef ik aan welke knelpunten er zijn en doe ik aanbevelingen voor het oplossen daarvan.