Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.7:7.7 Afsluiting
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.7
7.7 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949739:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder par. 16.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ongeoorloofde beïnvloeding in de fase van de verkiezingscampagne is duidelijk van een andere orde dan in de fase van de stemmingen, waar het er om gaat dat de kiezer niet verhinderd mag worden om zijn stem uit te brengen op de kandidaat van zijn keuze. Ook moet zij onderscheiden worden van beïnvloeding tijdens de kandidaatstelling, die er zoals gezegd in gelegen kan zijn dat de kiezer wordt gedwongen tot het ondertekenen van een ondersteuningsverklaring of een verkeerde feitelijke voorstelling van zaken krijgt over de identiteit van de kandidaten of de partij. Beïnvloeding in de fase van de campagne heeft eerder betrekking op de standpunten van de partijen, die voor de kiezers reden vormen om op de betreffende partij te stemmen.
Het EHRM beschouwt het vrije kiesrecht als de hoeksteen van de bescherming die artikel 3 Protocol 1 EVRM biedt. Zonder vrij kiesrecht kan geen sprake zijn van de ‘vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht’. Ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding is uit den boze. Ondanks de centrale plaats die het begrip ‘vrije kiesrecht’ inneemt bij de uitleg van artikel 3 Protocol 1 EVRM, kan een toets aan de bepaling slechts in beperkte mate een waarborg bieden in situaties waarin het vrije kiesrecht onder druk staat. Het begrip is door het EHRM en de Venice Commission beperkt ingekleurd. Slechts in de fase van de stemmingen volgen uit artikel 3 Protocol 1 EVRM duidelijke waarborgen voor het vrije kiesrecht. In deze fase staan het waarborgen van het stemgeheim en het tegengaan van fraude, die bestaat uit het verrichten van activiteiten die ervoor zorgen dat de verkiezingsuitslag geen afspiegeling is van de in vrijheid door de kiezer uitgebrachte stemmen, centraal. Het gebruik van alternatieve stemvormen – de volmachtstem, de briefstem – brengt op dit gebied risico’s met zich, nu de afwezigheid van de bescherming van het stemhokje de weg opent naar de beïnvloeding van kiezers die hun stem per brief of per volmacht uitbrengen. Hoofdstuk 14 gaat op deze problematiek in.
Hoewel het vrije kiesrecht ook in de aan de stemmingen voorafgaande fase van de kandidaatstelling van groot belang is – ook in die fase moet ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding immers worden tegengegaan – krijgt dit aspect in de internationale doctrine nauwelijks aandacht. Het blijft onduidelijk welke waarborgen artikel 3 Protocol 1 EVRM op dit terrein biedt. Zal bijvoorbeeld een kiezer die een partijaanduiding misleidend of verwarrend vindt, met succes kunnen betogen dat zijn vrije kiesrecht daardoor is geschonden? Dat lijkt weinig aannemelijk. Ook is de bepaling lastig toe te passen in de fase van meningsvorming door de kiezer. Duidelijk is dat het vrije kiesrecht niet alleen het recht om een mening tijdens de verkiezingen in vrijheid te uiten omvat, maar ook het recht om deze in vrijheid te vormen. In deze fase biedt artikel 3 Protocol 1 EVRM weliswaar waarborgen door een neutrale opstelling van de autoriteiten te vereisen en hen een verplichting op te leggen om de kiezer informatie over de kandidaten te verschaffen, maar tegen ongeoorloofde beïnvloeding van iemands mening door een derde kan de bepaling lastig bescherming bieden. Zoals de zaak Russian Conservative Party of Entrepreneurs and Others/Russia illustreert (en zoals ook in het volgende hoofdstuk, dat onder andere ingaat op het vereiste van kansengelijkheid, zal blijken) is het voor kiezers vrijwel onmogelijk om aan te tonen dat hun mening op ongeoorloofde wijze door een derde is beïnvloed. Het doel van een verkiezingscampagne is immers het beïnvloeden van kiezers. De wijze waarop deze invloed bij de kiezer gestalte krijgt, is een intern proces dat zich moeilijk leent voor een rechterlijke evaluatie. Een en ander laat het belang van het tegengaan van ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding in deze fase van het verkiezingsproces uiteraard onverlet. De bescherming van de kiezer tegen ongeoorloofde beïnvloeding in deze andere fasen kan echter moeilijk gestalte krijgen in een directe toets aan artikel 3 Protocol 1 EVRM.
Gelet op de beperkte handvatten die artikel 3 Protocol 1 EVRM biedt op het gebied van ongeoorloofde kiezersbeïnvloeding, is het des te spijtiger dat de Nederlandse grondwetgever zich in 1983 niet uitgebreider over dit thema heeft gebogen. In de tekst van de Grondwet heeft het beginsel van vrij kiesrecht geen grondslag gekregen. Slechts tijdens de parlementaire behandeling van artikel 53 Gw kwam het beginsel voorbij, waarbij Kamer en regering niet tot een eenduidige en vastomlijnde begripsafbakening konden komen. Het belang van het tegengaan van ongeoorloofde beinvloeding werd aangestipt, zonder dat duidelijk werd waaruit deze ongeoorloofde beïnvloeding kan bestaan. Het is bijvoorbeeld opvallend dat een link met andere politieke participatierechten als de vrijheid van meningsuiting en de verenigingsvrijheid daarbij niet werd gelegd. Daarmee kan gesproken worden van een lacune in de bescherming van het vrije kiesrecht, die verholpen kan worden met het alsnog vastleggen van het beginsel van vrije verkiezingen in de Grondwet.1