Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.3
2.3 Het EVRM
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949744:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Marks 1995, p. 211.
Beetham 2007, p. 90.
Zie voor een uitgebreidere beschrijving van deze ontwikkeling Mowbray 1999, p. 703.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002483994 (Bowman/the United Kingdom), par. 42.
EHRM 30 januari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0130JUD001939292 (United Communist Party of Turkey and Others/Turkey), par. 45.
EHRM 2 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781(Mathieu-Mohin and Clerfayt/Belgium), par. 54.
EHRM 6 oktober 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1006JUD007402501 (Hirst/the United Kingdom (no. 2)), par. 89.
EHRM 22 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0122JUD004919706 (Şükran Aydin and Others/Turkey), par. 55; EHRM 30 januari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0130JUD001939292 (UnitedCommunist Party of Turkey and Others/Turkey), par. 44.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002483994 (Bowman/the United Kingdom), par. 43.
EHRM 30 januari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0130JUD001939292 (United Communist Party of Turkey and Others/Turkey), par. 44; EHRM 13 februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004134098 (Refah Partisi (The Welfare Party) and Others/Turkey), par. 88.
EHRM 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD003594310 (Vona/Hungary), par. 56.
Zie verder par. 5.2; CDL-AD(2020)032 van de Venice Commission (14 december 2020), Guidelines on political party regulation. Second edition, par. 17.
CDL-AD(2020)032 van de Venice Commission (14 december 2020), Guidelines on political party regulation. Second edition, par. 46.
EHRM 7 december 1976, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside/the United Kingdom), par. 49.
EHRM 24 november 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:1124JUD001391488 (Informationsverein Lentia and Others/Austria), par. 38. Zie bijvoorbeeld ook Aanbeveling CM/Rec(2018)1 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (7 maart 2018), On media pluralism and transparency of media ownership.
De relatie tussen het kiesrecht en de overige politieke participatierechten is in de nationale staatsrechtelijke doctrine slechts beperkt ontwikkeld. Pregnanter komt het verband tot uitdrukking in het kader van het EVRM. Allereerst kan gewezen worden op de preambule bij het Verdrag, waarin de regeringen die het EVRM ondertekend hebben de fundamentele vrijheden aanwijzen als grondslag voor ‘gerechtigheid en vrede in de wereld’ en vermelden dat de handhaving van deze rechten steunt op, onder andere, een ‘waarlijk democratische regeringsvorm’. Daarnaast komt de samenhang tussen democratie en grondrechten uitdrukkelijk naar voren in de rechtspraak van het EHRM, dat zich in een nog altijd groeiende hoeveelheid uitspraken heeft uitgelaten over het verband tussen beide principes. Oorspronkelijk was het Hof overigens terughoudend in het definiëren van het democratiebegrip en werd het begrip vooral gebruikt om de ‘vrije’, Westerse samenleving te onderscheiden van totalitaire of fascistische regimes.1 Het begrip werd voornamelijk ingevuld door aan te geven wat het in ieder geval niet betekende. Het EVRM verplichtte dus niet tot introductie van een bepaald politiek systeem, zolang het gekozen systeem maar niet fascistisch of totalitair was. Die terughoudendheid sloot aan bij de traditionele opvatting dat constitutionele zaken zuiver interne staatsaangelegenheden zijn: zij omvatten de kern van de staatssoevereiniteit.2
In de loop der jaren heeft het EHRM echter meer invulling gegeven aan het democratieprincipe.3 Zo stelde het Hof met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) dat dit recht, samen met het kiesrecht, het fundament van de democratie vormt.4 In het verlengde daarvan beschouwt het Hof de democratie als enige besturingsvorm die in overeenstemming is met de waarden van het EVRM.5 Ook karakteriseert het Hof de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van meningsuiting, naast een gelijke behandeling van kiezers en kandidaten, als een van de ‘voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen’ in de zin van artikel 3 Protocol 1 EVRM.6 Onder omstandigheden beschouwt het Hof artikel 3 Protocol 1 EVRM dan ook als een lex specialis van artikel 10 EVRM.7 Juist in verkiezingstijd is het van belang dat politieke informatie – de categorie informatie die de sterkste bescherming van het EHRM geniet – vrijelijk kan circuleren.8 Deze politieke informatie, of deze nu wordt verspreid door de campagne voerende kandidaten of andere kiezers, helpt de kiezer bij het bepalen van zijn keuze. Tegelijkertijd staat het Hof juist in verkiezingstijd verdergaande beperkingen op de vrijheid van meningsuiting toe dan daarbuiten, om de integriteit van het publieke debat te waarborgen.9 Ik ga op deze thematiek in paragraaf 7.6 verder in.
Waar de Grondwet de verenigingsvrijheid en de vrijheid van vergadering en betoging in aparte bepalingen onderbrengt, zijn beide rechten in het EVRM in hetzelfde artikel vastgelegd. Artikel 11 EVRM vertoont een nauwe samenhang met de in artikel 10 EVRM vervatte vrijheid van meningsuiting. Vrije meningsuiting is immers een van de doelen die met het recht tot vergadering en vereniging gediend wordt.10 Het recht maakt een forum voor meningsvorming, publiek debat en het uiten van protest mogelijk. De onder het verenigingsrecht geschaarde vrijheid van partijvorming zorgt er daarnaast voor dat kiezers zich, ter effectieve uitoefening van hun passieve kiesrecht, kunnen groeperen. Politieke partijen onderscheiden zich van andere verenigingen doordat zij directe invloed hebben op landelijk beleid en de publieke opinie, waar ‘normale’ verenigingen dergelijke invloed op zijn hoogst indirect kunnen uitoefenen.11 Partijen zijn onmisbaar in een representatieve democratie als de Nederlandse, nu een werkbaar alternatief om het streven naar overheidsmacht vorm te geven, niet te bedenken valt.12 Volgens de rechtspraak van het EHRM leveren politieke partijen een onvervangbare bijdrage aan het politieke debat en draagt hun deelname bij aan de ‘vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht’, door uitdrukking te geven aan de verschillende politieke opvattingen en ideeën die bij het volk leven.
Zowel de verenigings- en vergadervrijheid als de vrijheid van meningsuiting stelt kandidaten dus in staat om hun ideeën over het te voeren beleid te formuleren en met het electoraat te delen. Daarmee stellen zij ook de kiezer in staat om deel te nemen aan het publieke debat en kennis te nemen van een verscheidenheid aan politieke standpunten, zodat zij een onderbouwde keuze kunnen maken tussen de alternatieven die politieke partijen hen presenteren.13 Deze rechten staan dus in dienst van pluralisme, een waarde die het EHRM, tezamen met de beginselen van tolerantie en ruimdenkendheid, beschouwt als de basis van een goed functionerende, democratische samenleving.14 Op de verdragspartijen rust de positieve verplichting om dit pluralisme te waarborgen. 15