Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.4.1
9.3.4.1 Verbintenis op basis van een eenzijdige verklaring
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648964:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze systematische benadering, alsook de gesloten categorieën waarbinnen verbintenissen kunnen ontstaan, vormt een fundamenteel uitgangspunt voor het verbintenissenrecht. Deze benadering en de categorieën, bestaan al sinds het Romeinse recht. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2016, nr. 47.
Zie o.a. Janssen 2016, par. 1.4.3: “Het Wetboek Napoleon kende – evenals de Code civil en Pothier – vijf bronnen van verbintenissen: het contract, het quasi-contract, het delict, het quasidelict en de wet.”
Er zijn verschillende studies gewijd aan de eenzijdige rechtshandeling als bron voor verbintenissen. Niet alleen binnen het Nederlandse recht leidt dit thema tot vraagstukken. Zie onder meer: Gordley 2001; Caufmann 2004 en Spierings 2015.
Dit betekent dat uit de gewoonte of de billijkheid dus geen verbintenis kan ontstaan. Hiermee wordt de rechtszekerheid gediend.
Zie o.a. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2016, nr. 47.
HR 30 januari 1959, NJ 1959/548.
Spierings 2016, par. 2.3.3.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 87.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 89.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 87 en p. 588 (TM).
Zie onder meer Van Schilfgaarde in zijn noot bij het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014: “Uitdrukkelijk wordt overwogen dat de aansprakelijkheid van Econcern berust op de afgegeven 403-verklaring. Verwezen wordt daarbij naar de beslissing inzake Akzo Nobel, waarin deze visie – de schuldeiser kan geen recht ontlenen aan art. 2:403, doch uitsluitend aan de door de vennootschap gedeponeerde verklaring – is vastgelegd”, HR 11 april 2014, NJ 2014/309, par. 5 van de annotatie.
Spierings 2016, par. 10.2.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 102; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 50; Snijders 1988, p. 61-62; Janssens 1926, p. 126 e.v.; Pitlo/Bolweg 1979, p. 39; Asser/Rutten 3-II 1968, p. 114; Smits 2003, nr. 33; Van Bemmelen 1889, p. 353; Schoonenberg 1990, p. 106; Vranken 1989, p. 112 (ook in ‘Wisselwerking tussen privaatrecht en bestuursrecht’, in: Hirsch Ballin e.a. 1988, p. 31-32) en Van Delden & Bannier 1999, p. 83.
Auteurs die zicht uitspreken tegen de (privaatrechtelijke) eenzijdige verbintenisscheppende rechtshandeling zijn Land e.a. 1907, p. 173-174; Bloembergen 1996, p. 58 en De Kluiver 1992, p. 125 e.v.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 87 (TM).
Zie over het vereiste dat een schenking of gift moet zijn gewild en dat een schenking of gift niet altijd een gewilde bevoordeling betekent, onder andere de bijdrage van Megchelse en Vegter, Megchelse & Vegter 1995, p. 412-418.
Spierings 2016, par. 9.4.2.
Spierings 2016, nr. 415.
De wijzen waarop verbintenissen kunnen ontstaan binnen het Nederlandse recht zijn gesystematiseerd. Het Nederlandse verbintenissenrecht wordt gekenmerkt door een gelimiteerd aantal gecategoriseerde bronnen van verbintenissen.1 In de continentale rechtsstelsels worden de volgende categorieën onderscheiden: contract, quasicontract, delict, quasidelict en de wet. Dit systeem is tevens het uitgangspunt bij het hedendaagse Nederlandse recht.2
Het ontstaan van een vorderingsrecht op basis van een eenzijdige rechtshandeling, past niet binnen het systeem van het Nederlandse verbintenissenrecht.3 Een verbintenis, niet zijnde een vorderingsrecht, kan wel uit een eenzijdige rechtshandeling voortvloeien. De bron van verbintenissen is de wet (6:1 BW).4 De in de wet geduide bronnen van verbintenissen zijn onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming en overeenkomst.5 Verbintenissen dienen voort te vloeien uit de wet:
Artikel 6:1 BW
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.
Het Nederlandse recht kent een open systeem van verbintenissen. De wet geeft geen limitatieve opsomming van mogelijke verbintenissen en alle verbintenissen die door de wet zijn toegelaten, worden erkend. Voorts geldt dat de regels van het verbintenissenrecht in beginsel niet van dwingend recht zijn. Hierdoor hebben partijen veel vrijheid om zich te binden door een verbintenis in het leven te roepen. De inhoud daarvan staat ter geheel vrije bepaling van een partij, zover de wet daar geen beperkingen aan stelt. In het arrest Quint/Te Poel6 aanvaardde de Hoge Raad de ruime uitleg van het begrip ‘wet’. Artikel 6:1 BW bepaalt dat een verbintenis kan ontstaan als dit uit de wet voortvloeit. Daarom hoeft de wet niet uitdrukkelijk te bepalen in welke situaties een verbintenis ontstaat.
Een verbintenis kan eenvoudig voortvloeien uit een eenzijdige verklaring. Bindende toezeggingen zijn daar een voorbeeld van. De mogelijkheid om eenzijdig een afdwingbare verbintenis te creëren, wordt zeer terughoudend benaderd.7 Uit de toelichting bij het ontwerp van artikel 6:1 BW volgt dat een afdwingbare verbintenis alleen kan worden verkregen op basis van een overeenkomst en niet op basis van een eenzijdige rechtshandeling.8 Uit de Memorie van Antwoord bij artikel 6:5 BW blijkt voorts dat de wetgever van oordeel is dat de eenzijdige toezegging, die bindend is zonder dat deze is aanvaard, een weinig aantrekkelijke rechtsfiguur is.9 Echter, de bezwaren bestaan wanneer de partij die een eenzijdige verklaring doet, een verbintenis kan afdwingen bij een andere partij. Het eenzijdig doen van een aanbod waarbij een partij zichzelf bindt en waarbij de geadresseerde de keuze heeft om het al dan niet te aanvaarden, is niet erg bezwaarlijk. Het eenzijdig scheppen van een vorderingsrecht is bezwaarlijker. De nakoming daarvan kan dan aan een partij die daar geen invloed op heeft kunnen uitoefenen, worden opgedrongen.
Dat het afleggen van een verklaring kan leiden tot het ontstaan van vorderingsrechten, is in zijn algemeenheid opmerkelijk te noemen. Meijers heeft in de toelichting bij het Burgerlijk Wetboek zelfs als uitgangspunt genomen dat verbintenissen – niet eens zijnde vorderingsrechten – niet kunnen ontstaan door eenzijdige rechtshandelingen.10 De wet kan natuurlijk voorzien in uitzonderingsgevallen. Maar de aansprakelijkheid van de consoliderende rechtspersoon die een 403-verklaring deponeerde is niet op de wet gebaseerd maar op de door de consoliderende rechtspersoon afgegeven 403-verklaring11 en de aansprakelijkheid omvat derhalve een niet uit de wet voortvloeiende verbintenis.
Als een eenzijdige verklaring geen vorderingsrecht kan scheppen, kan een eenzijdige verklaring dan wel een verbintenis scheppen? In een aantal gevallen staat de wet inderdaad toe dat een eenzijdige rechtshandeling een verbintenis schept. Voor een gedegen en uitgebreide studie naar de schepping van verbintenissen door middel van een eenzijdige rechtshandeling zij verwezen naar het proefschrift van Spierings.12 De vraag of een eenzijdige rechtshandeling – in bepaalde gevallen – een bron van verbintenissen kan zijn, wordt bevestigend beantwoord door diverse auteurs13 maar is niet onomstreden.14 Dit ondanks het open systeem van verbintenissen dat eerder in deze paragraaf reeds werd aangestipt.
Spierings concludeert dat er binnen het Nederlandse civiele rechtsstelsel diverse eenzijdige verbintenisscheppende rechtshandelingen zijn aan te wijzen. Deze zijn echter gelimiteerd en kennen een specifieke wettelijke grondslag hetgeen verenigbaar is met het systeem van het geclausuleerd open systeem van verbintenissen binnen het Nederlandse recht. Spierings merkt op dat de partijautonomie van belang is en dat de primaire (on)gebondenheid van personen het uitgangspunt is. Daarnaast spelen ook het vertrouwens- en het causabeginsel een rol bij het bepalen of sprake is van gebondenheid. Spierings onderkent dat de erkenning van de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen botst met het uitgangspunt dat verbintenissen alleen kunnen voortvloeien uit een overeenkomst en niet uit een eenzijdige rechtshandeling.15 Spierings is van mening dat de ratio dat iemand een ander geen verbintenis moet kunnen opdringen nog wel geldingskracht heeft maar dat dit niet tot gevolg heeft dat de eenzijdige rechtshandeling categorisch wordt uitgesloten als bron van verbintenissen. Dat ben ik met haar eens. Zoals ik hiervoor opmerkte, bestaan er bezwaren wanneer de partij die een eenzijdige verklaring doet, een verbintenis kan scheppen op basis waarvan hij iets kan afdwingen bij een andere partij. Het eenzijdig doen van een aanbod is niet bezwaarlijk. Het eenzijdig scheppen van een vorderingsrecht is dat wel.
Ter voorkoming van opgedrongen verbintenissen, bestaan wel enkele middelen. Zo moet een schenking eerst worden aanvaard wat betekent dat deze ook kan worden geweigerd. Een verkrijging krachtens legaat kan zelfs met terugwerkende kracht worden geweigerd.16 Maar bij een 403-situatie heeft een schuldeiser deze mogelijkheden niet. Een schuldeiser kan natuurlijk afstand doen van zijn 403-vordering op de consoliderende rechtspersoon. Maar de consoliderende rechtspersoon moet dit dan wel aanvaarden. De schuldeiser is niet autonoom bevoegd om afstand te doen van het vorderingsrecht. Hij heeft medewerking van de consoliderende rechtspersoon nodig om van het vorderingsrecht af te komen. Wanneer het op de eerbiediging van de partijautonomie van de schuldeiser aankomt, heeft de wilsrechttheorie ontegenzeggelijk betere kaarten:
“Een wilsrecht kan eenzijdig worden uitgeoefend en kan ook eenzijdig worden prijsgegeven. Het behoort tot de autonomie van de gerechtigde om ervoor te kiezen een bevoegdheid niet uit te oefenen.”17
Terug naar wettelijke uitzonderingssituaties waarbij door eenzijdige rechtshandelingen vorderingsrechten kunnen worden geschapen. Te denken valt aan vernietiging, opzegging en ontbinding. Het eenzijdig creëren van een 403-vordering kan moeilijk onder deze categorie worden geschaard.
Een andere categorie eenzijdige rechtshandelingen waarbij een verbintenis kan worden geschapen, is een categorie waarbij de totstandkoming van de verbintenis afhankelijk is gesteld van de aanvaarding. Zo geldt bij het onherroepelijk aanbod, de uitloving en het verkrijgen van een vorderingsrecht op basis van een legaat dat aanvaarding dient plaats te vinden voordat er een vorderingsrecht aan het vermogen van een derde wordt toegevoegd. Ook in dit rijtje18 is de 403-vordering de vreemde eend in de bijt wanneer de wilsrechttheorie niet wordt aanvaard en niet wordt aangenomen dat de 403-verklaring in eerste instantie een wilsrecht schept.