Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.3.2
2.3.2 De regeling van klachtdelicten in Boek I Titel VII
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946229:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 493.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 44.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 44.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 44 en 494.
Bosch 1965, p. 184-185.
Bosch 1965, p. 95
Bosch 1965, p. 86-87.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 495.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 419.
Zie in dit verband ook paragraaf 4.3.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498-499.
Bosch 1965, p. 187-188.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 497.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 500.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 500-501.
De regeling van het klachtdelict was (ook in 1886) niet op één plaats in de strafwetgeving te vinden. In de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht is uiteengezet dat de algemene voorschriften betreffende de bevoegdheid tot het indienen en intrekken van de klacht hun plaats vinden in Boek I van het Wetboek van Strafrecht, dat in Boek II de aanwijzing van de onderscheiden klachtdelicten plaatsvindt en dat de vorm van de klacht aan het Wetboek van Strafvordering wordt overgelaten.1
De Raad van State heeft zich in de adviezen voorafgaand aan de totstandkoming van dit wetboek kritisch uitgelaten over deze indeling. De Raad meende met het oog op (het beperken van) de omvang van het wetboek dat Titel VII van het wetboek – ten aanzien van het indienen en intrekken van klachten – bepalingen bevat die hun plaats behoren te krijgen in het Wetboek van Strafvordering.2 In het advies verwoordde men het uitgangspunt dat al hetgeen dat leert welke straf moet worden toegepast tot het strafrecht behoort, terwijl in strafvordering de weg wordt aangewezen om tot de toepassing van die straf te geraken. De Raad bestempelde de in titel VII vervatte bepalingen als zijnde ‘van bloot formeelen aard’ die tot de procesorde behoren en vond het tegen die achtergrond bezien minst genomen twijfelachtig dat deze titel niet in het Wetboek van Strafvordering werd opgenomen.3 De minister schuift deze kritiek terzijde en meent dat geen van de in titel VII vervatte bepalingen tot het formele recht kan worden gerekend. De minister erkent dat de vorm van de klacht inderdaad tot het procesrecht behoort, maar stelt dat dit niet geldt voor algemene voorschriften over de bevoegdheid tot indiening en intrekking van de klacht.4 Dit moet volgens de minister worden gerekend tot het materiële recht.5 Een nadere toelichting van dit standpunt blijft echter uit.
De stelligheid waarmee minister van Justitie Modderman het strafprocessuele karakter van de wetsbepalingen afwijst, is opvallend nu ook de Staatscommissie oorspronkelijk meende dat de bepalingen omtrent de vorm, termijn en wijze van intrekking thuishoorden in het procesrecht en Modderman zelf deel uitmaakte van die Staatscommissie. In een eerste ontwerp van de Staatscommissie bevatte het Algemeen Deel ten aanzien van klachtdelicten slechts één bepaling en die zag uitsluitend op de termijn voor het indienen van een klacht bij drukpersdelicten.6 Pas nadat de Staatscommissie besloot een gehele titel in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht te wijden aan algemene bepalingen omtrent de klacht, kwam men tot het oordeel dat uitsluitend de vorm van de klacht in het Wetboek van Strafvordering diende te zijn geregeld.7Daarbij is ook opvallend dat de Staatscommissie de titel aangaande klachtdelicten pas aan het Algemeen Deel in boek I heeft toegevoegd, nadat een eerste concept van boek II tot stand was gekomen en de Staatscommissie zich daaropvolgend nogmaals beraadde over de inhoud van Boek I.8 De volgorde der dingen doet vermoeden dat pragmatische overwegingen, al dan niet in overwegende mate, een rol hebben gespeeld bij de wijze waarop klachtdelicten een plaats hebben gekregen in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht. Die gedachte wordt ook gevoed doordat Modderman – in reactie op de kritiek van de Raad van State – opmerkt dat het achterwege blijven van algemene bepalingen aangaande klachtdelicten in boek I met zich zou brengen dat bij elk afzonderlijk misdrijf dat als klachtdelict wordt aangemerkt in het tweede boek, steeds een nadere omschrijving van de klacht opgenomen zou moeten worden, omdat de zin en strekking van de klacht anders onbepaald zou zijn.9
Zodoende kwam Titel VII van Boek I van het Wetboek van Strafrecht te luiden: ‘Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar’. Deze titel omvatte artikelen 64 tot en met 67. Het eerste artikel in deze titel – art. 64 – ziet op de vertegenwoordigingsregeling, waarbij het klachtrecht vanwege jonge leeftijd of ondercuratelestelling overgaat op een ander. Het is opvallend dat de wettelijke regeling niet aanvangt met een artikel waarin wordt bepaald wie heeft te gelden als de primair klachtgerechtigde. Alleen in de memorie van toelichting is opgetekend dat een zelfstandig recht tot klagen uitsluitend toekomt ‘aan hem tegen wien het misdrijf gepleegd is’.10 Daarbij is toegevoegd dat op die hoofdregel twee uitzonderingen bestaan. Ten eerste zijn in het wetsartikel waarin schaking strafbaar is gesteld specifieke klachtgerechtigden aangewezen. Als tweede uitzondering is in de memorie van toelichting gewezen op de strafbaarstelling van smaad jegens een overledene, nu een overledene niet kan klagen. Het is echter de vraag of die overledene óf de nabestaande die de smaad ondergaat als slachtoffer van dit delict moet worden aangemerkt. In de toelichting op het wetsartikel is immers vermeld dat het niet gaat om het al dan niet waarheidsgetrouwe oordeel over de overledene, noch over het daardoor veroorzaakte leed, maar dat de strafbepaling is gerechtvaardigd vanwege de opzettelijke aanranding van levenden.11 Vanuit dat perspectief bezien kan worden verdedigd dat ook bij dit delict het slachtoffer zelf primair klachtgerechtigd is en dat geen sprake is van een uitzondering.12
Het tweede artikel van Titel VII – art. 65 Sr – bevatte een specifieke vertegenwoordigingsregeling voor de situatie dat het slachtoffer overleed binnen de klachttermijn. De termijn loopt in die gevallen door, maar wordt niet verlengd. Gedurende het restant van de termijn zijn de ouders, kinderen en echtgenoot van het slachtoffer klachtgerechtigd.
In art. 66 Sr van het Wetboek van Strafrecht uit 1886 werd de termijn bepaald waarbinnen de klacht moet worden ingediend. De termijn ving aan op het moment dat de klachtgerechtigde kennisnam van het delict en werd gesteld op respectievelijk drie of negen maanden, afhankelijk van het feit of kennisname van het delict plaatshad binnen of buiten Europa. Dit onderscheid is – tegen de tijdsgeest bezien – begrijpelijk, aangezien met reizen destijds veel meer tijd was gemoeid. Men wilde bewerkstelligen dat een reëel recht tot klagen zou bestaan, ook indien men buiten Europa verbleef. Het stellen van een termijn was blijkens de memorie van toelichting geboden om te voorkomen dat de klachtgerechtigde een wettelijk zwaard tegen een ander in handen werd gegeven, waarvan hij gedurende de (veelal jarenlange) verjaringstermijn gebruik zou kunnen maken. Ook werd gewezen op het maatschappelijk belang bij een voortvarende rechtspleging, die niet gedurende de volledige verjaringstermijn afhankelijk moest zijn van de willekeur van een klachtgerechtigde.13
Het toenmalige art. 66 Sr verdient in het bijzonder bespreking, omdat het oorspronkelijk geen deel uitmaakte van Titel VII. In het ORO was de klachttermijn geregeld in de eerste alinea van art. 78 Sr. Dit artikel maakte onderdeel uit van Titel VIII betreffende het verval van het recht tot strafvordering. In het Regeeringsantwoord naar aanleiding van beraadslagingen in de Tweede Kamer is door de minister verwoord dat de klachttermijn geen apart verjaringsvoorschrift betreft dat zou derogeren aan de algemene verjaringsvoorschriften die in art. 79 ORO waren vermeld. Het betreft volgens de minister slechts het verval van klachtrecht en dit verval en verjaring zijn twee op zichzelf staande en volkomen onafhankelijke zaken. Om dit onderscheid duidelijker naar voren te brengen is de eerste alinea van art. 78 ORO als art. 66 Sr overgebracht naar Titel VII. Dat is waar de bepaling volgens de minister thuishoort.14
Bij dit regeringstandpunt is een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen. Zo is de stellingname in het regeringstandpunt dat deze bepaling thuishoort in titel VII niet in lijn met de idee achter het ontwerp van de Staatscommissie, waarvan minister van Justitie Modderman zoals opgemerkt eerder zelf deel uitmaakte. Binnen de Staatscommissie is discussie gevoerd over het al dan niet stellen van een termijn aan het indienen van een klacht. Een belangrijk discussiepunt betrof de vraag of de termijn moest aanvangen op dag nadat het delict was gepleegd of op het moment dat het slachtoffer kennisnam van het feit. Modderman wilde de termijn laten aanvangen op de dag na het delict. De overige leden van de Staatscommissie meenden echter – gelijk aan het Duitse wetboek – dat de termijn pas diende te gaan lopen op de dag nadat de klachtgerechtigde had kennisgenomen van het strafbare feit. Uitsluitend ten aanzien van de drukpersdelicten besloot de Staatscommissie de termijn te laten aanvangen op de dag na het plegen van het delict, redengevend daarvoor was de korte verjaringstermijn bij die delicten. Modderman pleitte binnen de Staatscommissie ervoor die wijze van termijnstelling te hanteren bij alle klachtdelicten, maar zijn pogingen waren vruchteloos. Naar aanleiding van deze discussie bevatte het (concept)ontwerp van de Staatscommissie een artikel waarin de termijn is bepaald voor de klacht bij drukpersdelicten en een tweede artikel waarin de termijn is bepaald voor de overige klachtdelicten. Dit laatste artikel maakte onderdeel uit van de algemene titel aangaande klachtdelicten. Het artikel dat zag op de termijn ten aanzien van drukpersdelicten, maakte echter onderdeel uit van de titel aangaande het verval van het recht op strafvervolging. De Staatscommissie zag aanleiding die beide termijnbepalingen te verenigen in één artikel, waarbij de afwijkende regeling ten aanzien van drukpersdelicten in het tweede lid werd neergelegd. De vraag resteerde in welke titel de betreffende bepaling zou moeten worden geplaatst. De Staatscommissie plaatst het artikel aanvankelijk in de titel aangaande klachtdelicten, maar kwam nadien tot de conclusie dat het artikel thuishoort in de titel die ziet op het verval van het recht op strafvervolging. In de notulen van de Staatscommissie staat dat de commissie ervan uitgaat dat het recht op strafvervolging vervalt, indien de klachtgerechtigde geen aangifte doet binnen de gestelde termijn.15 Tegen deze achtergrond bezien is het opvallend dat Modderman, die bij deze oordeelsvorming was betrokken, nadien als minister van Justitie een tegengesteld standpunt inneemt. Dit kan evenwel worden verklaard als men oog heeft voor de omstandigheid dat de Staatscommissie de visie van Modderman op het punt van termijnbepaling niet deelde en hij nadien vanuit de regering toch zijn zienswijze heeft kunnen doorvoeren in het Wetboek van Strafrecht.
De tweede kritische kanttekening betreft het feit dat de minister in het regeringstandpunt ten onrechte verwoordt dat een alinea slechts is ‘overgebracht’ van een wetsbepaling naar een andere. Art. 66 Sr is immers niet gelijkluidend aan de eerste alinea van art. 78 ORO. Dit laatste artikel vangt aan met de zinsnede: ‘Bij misdrijven die niet dan op klagte vervolgd worden, vervalt het regt tot strafvordering, wanneer geene klagte is ingediend binnen […].’16Art. 66 Sr vangt daarentegen aan met de zinsnede: ‘De klachte kan slechts worden ingediend gedurende […].’17 Er is dus niet slechts sprake van een verplaatsing om te benadrukken dat geen sprake zou zijn van een verjaringsvereiste, ook de inhoud van de wettekst is gewijzigd. De minister wijdde geen woorden aan die inhoudelijke aanpassing van de wettekst. De inhoud van die aanpassing – en met name de verwijdering van het deel ‘vervalt het regt tot strafvordering’ – doet in samenhang met de hierboven beschreven voorgeschiedenis vermoeden dat ook de inhoudelijke aanpassing van het wetsartikel ten doel heeft te benadrukken dat het geen verjaringsvoorschrift betreft.
De zevende titel van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht uit 1886 werd afgesloten met art. 67, waarin is bepaald dat de klager gedurende acht dagen na indiening bevoegd is die klacht in te trekken. In het oorspronkelijke ontwerp betrof de termijn slechts drie dagen, waarna vanuit de Tweede Kamer de kritiek werd geuit dat dit een ‘volkomen willekeurige termijn’ betrof en het standpunt werd ingenomen dat intrekking mogelijk zou moeten blijven zolang geen openbaarheid aan de zaak was gegeven.18 De minister verzette zich hiertegen, omdat het maatschappelijk belang zou eisen dat rechtsonzekerheid niet bestendigd wordt en voorkomen moet worden dat men al te lichtvaardig overgaat tot klagen. De minister achtte het uitsluitend wenselijk om gedurende een zeer korte termijn gelegenheid te bieden klachten in te trekken die in een opwelling zijn gedaan. Zijns inziens was een geheel verbod op intrekken te verkiezen boven de ruime intrekkingstermijn die de Commissie van Rapporteurs van de Tweede Kamer voorstond. De reactie van de minister leidt ertoe dat die Commissie heeft afgezien van het eerder ingenomen standpunt, maar na mondeling overleg met de minister is de termijn toch verlengd van drie tot acht dagen.19 Het is onbekend wat tijdens dit mondelinge overleg is besproken en dus is onduidelijk waarom de termijn is aangepast. De hiervoor beschreven discussie doet vermoeden dat sprake is van een compromis.