Einde inhoudsopgave
De cyberverzekering vanuit civielrechtelijk perspectief (O&R nr. 129) 2021/VI.3.2.3
VI.3.2.3 Eigen verantwoordelijkheid verzekeringnemer
mr. N.M. Brouwer, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. N.M. Brouwer
- JCDI
JCDI:ADS278794:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht / ICT
Verzekeringsrecht / Schadeverzekering
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook I. van Velzen, ‘De assurantietussenpersoon’, in: S.Y.Th. Meijer e.a. (red.), Zicht op toezicht in de verzekeringssector, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 124.
Ik merk hierbij op dat de hoedanigheid van de verzekeringnemer van invloed kan zijn op de mate waarin sprake is van een zelfstandige mededelingsplicht. Van een groot, gespecialiseerd bedrijf mag immers in de regel een ander kennisniveau worden verwacht dan van de eenmanszaak. Dit kan de informatieasymmetrie – en daarmee de over en weer geldende mededelingsplichten – tussen tussenpersoon en cliënt beïnvloeden.
Rechtbank Oost-Brabant 14 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5042.
Het vergaren van informatie door middel van het stellen van vragen veronderstelt een wisselwerking tussen de intermediair en zijn cliënt. Het feit dat van de tussenpersoon gezien zijn beroepsmatige kennisvoorsprong een actieve houding mag worden verwacht, betekent niet dat er voor een zelfstandige mededelingsplicht van zijn cliënt geen plaats meer zou zijn.1 Welke waarde kan worden gehecht aan een dergelijke zelfstandige mededelingsplicht op het moment dat de cliënt zich niet bewust is van zijn cyberrisico’s en de verzekeringsmogelijkheden daarvan, valt evenwel niet altijd goed in te zien.2
In dit kader kan ik het in algemene bewoordingen geformuleerde oordeel van de Rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2016 dan ook niet volgen.3 In die zaak ging het om de vraag of de tussenpersoon wist dan wel had moeten weten dat zijn cliënt bloemen uit China liet komen en dat deze daarom belang had bij een transportverzekering. De rechtbank wees de vordering van de verzekeringnemer af vanwege diens eigen verantwoordelijkheid. De eigen verantwoordelijkheid werd daarbij ruim geïnterpreteerd: de verzekeringnemer moest als ondernemer in staat worden geacht te kunnen onderkennen of ontwikkelingen binnen de onderneming tot al dan niet te verzekeren risico’s voor de onderneming zouden leiden en dat het daarom relevant was om daarover aan de tussenpersoon mededeling te doen. De verantwoordelijkheid voor het onderkennen van “te verzekeren risico’s” binnen de onderneming kon de verzekeringnemer volgens de rechtbank “in ieder geval” niet primair bij de assurantietussenpersoon leggen. Van een zorgplichtschending door de tussenpersoon was daarom geen sprake.
Niet alleen staat dit oordeel haaks op de hiervoor besproken uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Rechtbank Gelderland, het dringt bovendien het uitgangspunt dat van de tussenpersoon een actieve houding mag worden verwacht in behoorlijke mate terug. Afhankelijk van de situatie, bijvoorbeeld die waarin zich een grote(re) mate van informatieasymmetrie voordoet, kan deze verantwoordelijkheid wel degelijk primair bij de tussenpersoon worden gelegd. Dit neemt niet weg dat de cliënt zich redelijkerwijs moet realiseren dat de tussenpersoon afhankelijk is van de informatie die hij hem (desgevraagd) verstrekt. Hij zal zich dus moeten inspannen om de informatie zo compleet mogelijk aan te leveren.