Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.2.2
5.2.2 Behoefte aan strafrechtelijke billijkheidsuitzonderingen
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS355928:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.3.1, a.
Par. 5.3.1.
Par. 5.5.6.
Hoofdstuk 1, par. 1.5.7 en hoofdstuk 3, par. 3.5.1. In het strafrecht kan wel het dictum verschillen afhankelijk van een keuze voor interpretatie of een uitzondering. Dat wordt later uitgelegd.
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, AA 2013/839, p. 839-845, m.nt. N. Rozemond (Tongzoen II). Het arrest wordt ook besproken in par. 5.5.
HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9650, NJ 1994/379 en HR 21 april 1998, ECLI: NL:HR:1998:ZD1026, NJ 1998/781, m.nt. J. de Hullu (Tongzoen).
Ook in die zin: Schaffmeister & Heider 1983, p. 444; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 344, 352; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 119; Kelk/De Jong 2013, p. 183. Ook in die zin over interpretatie als alternatief voor omw: Van Eikema Hommes 1980, p. 169; Van Veen 1980, p. 8, 16; De Waard 1985, p. 393; Wolswijk 1998, p. 245; De Hullu 2015, p. 191, 356-359. Over strafuitsluitingsgronden gaat par. 5.3.1.
HR 2 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3474, NJ 1971/385, m.nt. C. Bronkhorst (Kraker). Het arrest wordt ook zo uitgelegd door Van Veen 1980, p. 15; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 451; De Waard 1985, p. 393; Wolswijk 1998, p. 245; De Hullu 2015, p. 191, 358.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer.
Over uitzonderingen in dergelijke gevallen gaat par. 5.3.2.
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke). Vergelijkbaar is HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9367, NJ 2001/204, m.nt. J. de Hullu. De Hullu beschouwt deze arresten in zijn annotatie hierbij als ‘verdragsconforme interpretatie’ van art. 137c Sr.
Zoals in de in par. 5.3.2 te bespreken Rb. Amsterdam 21 mei 2001, ECLI:NL:RBAMS: 2001:AB1739, AB 2001/342, m.nt. B.P. Vermeulen; Hof Amsterdam 24 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6888; het arrest van het hof in HR 26 maart 2013, ECLI:NL: HR:2013:BY5690; Rb. Amsterdam 21 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7866
HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen). Groepsbelediging is strafbaar volgens art. 137c Sr, belediging op grond van artikelen 266 en 267 Sr. De zaak wordt ook besproken in hoofdstuk 3, par. 3.4 en par. 5.2.5.
De Hullu acht het ‘opmerkelijk dat en hoe de Hoge Raad de zaak zelf afdoet’ en spreekt over ‘een voor een cassatierechter curieus aandoende kwalificatie’ (annotatie bij het arrest, NJ 2002/76).
De plaats van deze uitzonderingen in het model is weergegeven in par. 5.2.1.
In die zin HR 2 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3474, NJ 1971/385, m.nt. C. Bronkhorst (Kraker).
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, AA 2013/839, p. 839-845, m.nt. N. Rozemond (Tongzoen II). Het arrest wordt ook besproken in par. 5.5.
Bijv. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266, m.nt. M.J. Borgers; HR 18 juni 2013, ECLI:NL: HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013: 150, NJ 2013/515, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013: 2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77, m.nt. M.J. Borgers.
Bijv. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers. In de literatuur wordt gesteld dat de Hoge Raad deze beperking aannam voor ‘een redelijke wetstoepassing’ (Kooijmans 2014, par. 1). Vanwege deze jurisprudentie is een wetsvoorstel ingediend met de strafbaarstelling van ‘witwassen dat enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf’ (Kamerstukken II 2015/16, 34294, 2 en 3).
HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213, NJ 2016/257, m.nt. N. Rozemond.
HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen). De zaak wordt ook besproken in hoofdstuk 3, par. 3.4 en par. 5.2.5.
Mevis 2016, p. 213.
Mevis 2016, p. 213.
Ook in die zin Hesselink 1999, p. 401.
Par. 5.5.
Ook in die zin met betrekking tot strafuitsluitingsgronden o.a. Vos 1950, p. 134, 135; Van Veen 1978, p. 510, 511; Van Veen 1980, p. 19; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 346; Wolswijk 1998, p. 249; Kelk/De Jong 2013, p. 176, 198; De Hullu 2015, p. 291, 383.
Groenhuijsen & Kooijmans 2013, p. 17, onder verwijzing naar Smidt 1881, eerste deel, p. 143.
Hierover uitgebreid Groenhuijsen & Kooijmans 2013.
Kamerstukken II 2009/10, 32169, 2; dit onderwerp komt aan de orde in par. 5.3.3.
Kamerstukken II 2011/12, 33151, 2; ingetrokken in Kamerstukken II 2012/13, 33151, 10.
Bleichrodt, in: Handboek strafzaken 2008, par. 50.1.3 (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 31 augustus 2008); Groenhuijsen & Kooijmans 2013. Dit blijkt ook uit de kritiek op (voorgestelde) inperkingen van de straftoemetingsvrijheid in de wetgevingsprocessen en in de literatuur (bijvoorbeeld Schuyt 2009 over het taakstrafverbod en de strafrechters; Janssen, Koekebakker & Sikkel 2012 over de minimumstraffen bij recidive; op alle mogelijke inperkingen Groenhuijsen & Kooijmans 2013, p. 83).
Het oordeel van het hof is opgenomen in HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918. Het arrest komt aan de orde in par. 5.3.1, b.
HR 21 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2122, NJ 1994/656, m.nt. T.M. Schalken (Chabot). Dit arrest wordt besproken in par. 5.3.1, a.
HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2885, NJ 2010/289. Ook dit arrest wordt behandeld in par. 5.3.1, a.
O.a. Hof Leeuwarden 23 augustus 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5866; Rb. Overijssel 25 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:908; Rb. Noord-Nederland 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5043 en ECLI:NL:RBNNE:2014:5044; Hof Amsterdam 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4279; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8144; Hof ‘s-Hertogenbosch 12 november 2015, ECLI:NL: GHSHE:2015:4514; Hof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4423.
Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8144.
Hoofdstuk 3.
Vgl. Buruma 2006, par. 1: als een ‘veroordeling […] naar geldend recht in stand blijft, maar […] met enige distantie bezien [een] strafrechtelijke veroordeling[…] oplever[t] die niet pluis [is]’.
Ook in die zin Van Hamel/Van Dijck 1927, p. 244; Schaffmeiser & Heijder 1983, p. 473; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 347; Wolswijk 1998, p. 249; Buruma 2006, par. 1.
Valkenburg, in: T&C Sv 2015, art. 167 Sv (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 juli 2015), aant. 1c.
Buruma 2006, par. 1.
In de literatuur was dit al eerder voorgesteld: Van Veen 1980, p. 18. De Waard 1985, p. 398; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 347; Buruma 2006, par. 1, 3; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 121.
Hierover ook Duker 2013, par. 2.
HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen; HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.
HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.
Hierover ook Duker 2013, par. 2.
HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.
HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23.
HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23. Zie ook HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen.
Corstens/Borgers 2014 p. 59
HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt. T.M. Schalken. Schalken noemt in zijn annotatie de term ‘flutzaken’.
Het nieuwe arrest van het hof is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoofdstuk 6, par. 6.3.2, b.
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256, m.nt. B.F. Keulen.
De Hoge Raad liet open of de maatregel een criminal charge van art. 6 EVRM opleverde en daardoor een vervolging was in de zin van art. 68 Sr. Hij zag wel een sterke gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging voor rijden onder invloed en de bestuursrechtelijke procedure. De gedragingen waren identiek, de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar (de verkeersveiligheid) en de gevolgen voor de betrokkene kwamen in hoge mate overeen (een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting). Dat stond ‘op gespannen voet [...] met het, aan art. 68 Sr ten grondslag liggende, beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit’. De wetgever had niet geregeld hoe de rechter moest omgaan met de samenloop van de maatregel en vervolging.
Buruma 2006, par. 2.
Strafrechters hebben minder behoefte aan billijkheidsuitzonderingen dan civiele rechters en bestuursrechters doordat hun verschillende andere manieren dan uitzonderingen ter beschikking staan om tot een billijke beslissing te kunnen komen. De eerste heeft van doen met strafrechtelijke rechtsvindingsvoorkeuren; de andere twee zijn in het wettelijke systeem verankerd. Ook deze manieren kunnen worden gebracht onder het model van de artikelen 348 en 350 Sv.
Ten eerste maakt de strafrechter veel gebruik van de mogelijkheden van interpretatie (subpar. a). Ten tweede heeft de wetgever de rechter door de straftoemetingsvrijheid al de kans gegeven om billijke uitspraken te kunnen doen (subpar. b). Ten derde heeft de strafrechter uitzonderingen minder nodig omdat in veel van die gevallen het OM door het opportuniteitsbeginsel al afziet van (verdere) vervolging als die onbillijk zou zijn. Had het OM dat volgens de rechter moeten doen, dan kan die de vervolgingsbeslissing corrigeren (subpar. c).
a. Interpretatie
Verschillende vormen van interpretatie zorgen ervoor dat de strafrechter sommige billijkheidsuitzonderingen niet nodig vindt om een evident onbillijke beslissing te voorkomen. In dit onderzoek komen drie voorbeelden ter sprake.
Ten eerste is in het materiële strafrecht extensieve interpretatie van overmacht in artikel 40 Sr een belangrijk alternatief geworden voor uitzonderingen krachtens een ongeschreven rechtvaardigingsgrond. Zoals later nader aan de orde komt,1 verstond de wetgever onder overmacht ‘elke kracht, elke drang, elke dwang, waaraan men geen weerstand kan bieden’; ‘elke lichamelijke (fysieke) of zedelijke (psychische) drang’. Door die drang, en niet door ‘vrije wilsbepaling’ van de dader, is een strafbaar feit gepleegd. De drang kan door derden uitgeoefend zijn, ‘met geweld, bedreiging of andere middelen’, of zijn gelegen ‘in de natuur der dingen’. De wetgever begreep ook een noodtoestand onder artikel 40 Sr, maar slechts als een verdachte ‘door een onweerstaanbare zucht tot zelfbehoud of tot behoud van naaste betrekkingen gedreven, ook buiten het geval van noodweer een feit pleegt alleen ter afwering van dreigend ogenblikkelijk levensgevaar’. In de jurisprudentie zijn echter (veel) meer andere gevallen onder artikel 40 Sr gebracht. Er gelden andere toepassingscriteria dan die van de wetgever, vooral bij het rechtvaardigende overmacht noodtoestand. Het acute karakter van de overmacht, de ‘onweerstaanbaarheid’ van de drang en de uitschakeling van de vrije wil zijn naar de achtergrond verschoven. Het jurisprudentiële criterium is geworden dat de pleger van een feit voor de noodzaak moet hebben gestaan te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen en de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Door die ruime uitleg wordt artikel 40 Sr nu beschouwd als ‘veiligheidsklep’ en ‘brug tussen (straf)recht en maatschappelijke werkelijkheid’. Het is in verband gebracht met de ‘sprong’ van Scholten uit een eerder hoofdstuk: de beoordeling van een overmachtverweer is een intuïtief, zedelijk oordeel omtrent de rechtvaardigheid in concreto. Ook is het vergeleken met de civielrechtelijke redelijkheid en billijkheid. De extensieve uitleg van artikel 40 Sr heeft het de rol gegeven van een ongeschreven rechtvaardigingsgrond – terwijl dat gekunsteld en daarom onwenselijk kan worden genoemd. Hierop wordt later nader ingegaan.2
Ten tweede wordt het taakstrafverbod van artikel 22b Sr uitgelegd op een wijze die niet voor zich spreekt.3 De wetgever wilde met het verbod bij veroordelingen voor ernstige strafbare feiten taakstraffen (zonder onvoorwaardelijke gevangenisstraf) voorkomen. Wordt het verbod echter naar de letter toegepast, dan laat het voor ernstige feiten taakstraffen toe gecombineerd met een zeer korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf (van bijvoorbeeld een dag, die de veroordeelde al in voorlopige hechtenis kan hebben doorgebracht waardoor hij de straf niet hoeft uit te zitten), met een bijna vergelijkbaar resultaat als het buiten toepassing laten van het verbod. Ook verhindert de tekst van artikel 22b Sr niet een geldboete in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als het taakstrafverbod geldt, hoewel een boete nog milder is dan een taakstraf. Beide opties lijken niet de bedoeling van de wetgever. Toch leggen verschillende feitenrechters het verbod zo uit. Later in dit hoofdstuk worden dergelijke interpretaties ter discussie gesteld.4 De plaats in het beslissingsmodel is hieronder te zien.
Ten derde is er corrigerende interpretatie, waarbij met een van de geaccepteerde interpretatiemethoden een wettelijk voorschrift anders dan tekstueel wordt uitgelegd, opdat de evident onbillijke letterlijke toepassing wordt voorkomen.5
Artikel 350 Sv, de materiële vragen:
1. Is het tenlastegelegde bewezen? Zo niet: vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv).
2. Is het bewezenverklaarde strafbaar? Dat wil zeggen:
a. Kan het bewezenverklaarde gekwalificeerd worden als strafbaar feit?
b. Is de strafbepaling geldig?
c. Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk?
Is het bewezenverklaarde niet strafbaar, dan volgt ovar (art. 352 lid 2 Sv).
3. Is de verdachte strafbaar, dat wil zeggen, was het feit hem te verwijten? Zo niet: ovar (art. 352 lid 2 Sv).
4. Moet er een straf of maatregel worden opgelegd, en zo ja, welke? Eventueel kan gekozen worden voor een rechterlijk pardon (art. 9a Sr). alternatief: interpretatie van het taakstrafverbod
Een voorbeeld is het volgende. De Hoge Raad interpreteerde het ‘seksueel binnendringen van het lichaam’ in artikel 242 Sr (verkrachting) corrigerend toen een gedwongen tongzoen was ten laste gelegd.6 Hij erkende dat ‘een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking oplevert’, waardoor het bewezenverklaarde viel onder de woorden van de strafbepaling. Hij overwoog echter ook dat een gedwongen tongzoen ‘in redelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging’. De eisen van rechtszekerheid stonden niet eraan in de weg dat deze handeling ‘voortaan niet meer als “verkrachting” in de zin van art. 242 Sr kan worden gekwalificeerd’. Argumenten waren de kritiek uit wetenschap en feitenrechtspraak op de oude uitleg waardoor een gedwongen tongzoen wel verkrachting opleverde,7 terwijl die kwalificatie in strijd was met het algemene spraakgebruik, dat het stempel ‘ontucht’ meer geëigend zou zijn (art. 246 Sr), een tongzoen niet een even ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit is als de ‘normale’ verkrachting, en ‘de vermelding van “verkrachting” op het strafblad van een veroordeelde ernstiger maatschappelijke repercussies heeft dan de vermelding van een minder zwaar beladen benaming’. Een uitzondering was hier een alternatief geweest: dan zou de gedraging wel binnen het bereik van artikel 242 Sr zijn gebracht, maar was de strafbepaling vervolgens om billijkheidsredenen buiten toepassing gelaten.
Corrigerende interpretatie wordt in de doctrine genoemd als alternatief voor strafuitsluitingsgronden.8
Bijvoorbeeld voor een uitzondering op grond van omw bij het kraken van een niet-bewoonde woning die ‘bij een ander in gebruik’ was (art. 138 Sr).9 De Hoge Raad legde het bestanddeel uit als ‘feitelijk als woning in gebruik’, omdat artikel 138 Sr beoogt het huisrecht te beschermen. De verdachte had niet veroordeeld mogen worden. Die had zich ook beroepen op omw (hij had gekraakt ‘om de overheid op dit gebied tot grotere activiteit te prikkelen’10), maar daarop ging de Hoge Raad niet in – wat ook niet nodig was, omdat de interpretatie al leidde tot een billijke beslissing.
Interpretatie is ook alternatief voor grondrechtelijke strafrechtelijke uitzonderingen krachtens artikel 94 Gw.11
Een verdachte werd ervan beschuldigd toestemming te hebben gegeven tot publicatie van een interview waarin hij had gevraagd waarom een praktiserend homoseksueel beter zou zijn dan een dief, en zich zo in het openbaar schriftelijk ‘opzettelijk beledigend’ had uitgelaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid (art. 137c Sr).12 Het hof achtte ‘beledigend’ niet bewezen: hoewel de uitlating ‘op zichzelf’ beledigend was in de zin van artikel 137c Sr omdat zij de waardigheid van een groep miskende, ontnam de context van de uitlating en de kennelijke bedoeling ervan het beledigende karakter eraan. In de context van de godsdienstvrijheid werd ‘door de retorische vraag […] de waardigheid van praktiserende homoseksuelen niet aangetast’; daarom, en vanwege de uitingsvrijheid mocht verdachte zijn opvatting uitdragen. De Hoge Raad liet de vrijspraak in stand. Een andere optie was geweest het ten laste gelegde met tekstuele argumenten bewezen te verklaren, maar een uitzondering te maken omdat het feit vanwege de grondrechten niet strafbaar was.13
De Hoge Raad aanvaardde een beroep op de uitingsvrijheid van een schrijver die werd verdacht van groepsbelediging en belediging in zijn boek.14 De Hoge Raad noemde de vrijheid van artistieke expressie van artikel 10 EVRM ‘een wezenlijk kenmerk van een democratische samenleving’. Wanneer deze kan worden beperkt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ‘tegen de achtergrond van het bijzondere belang’ van artistieke vrijheid, en de aard en kenmerken van de kunstuiting moeten worden meegewogen. In elk geval moet een dergelijk beroep worden afgewezen bij ‘kennelijk misbruik’ van het recht om beledigingen te uiten. De Hoge Raad interpreteerde ‘beledigend’ verdragsconform en sprak de schrijver vrij: de roman behelsde ‘niets (…) dat zou kunnen leiden tot het oordeel dat de uitlating, in de context van de roman gezien, een beledigend karakter toekomt’. De scène was ‘hilarisch […] en onmiskenbaar niet aan de werkelijkheid ontleend […]’.15
Corrigerende interpretatie van een strafbepaling enerzijds en billijkheidsuitzonderingen anderzijds kunnen leiden tot verschillende dicta, doordat zij een eigen plaats hebben in het beslissingsmodel. In de regel wordt door de acceptatie van een beroep op een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond een feit weliswaar bewezen verklaard, maar wordt een verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging (ovar). Wordt door een strafuitsluitingsgrond een bestanddeel niet bewezen verklaard, dan is het dictum vrijspraak.16
Corrigerende interpretatie van een strafbepaling kán leiden tot een ovar, maar ook tot een vrijspraak, afhankelijk van of het tenlastegelegde wordt geïnterpreteerd bij de vraag of het bewezen is (vraag 1), of de strafbepaling bij de kwalificatievraag van het bewezenverklaarde (vraag 2a). Corrigerende interpretatie van het tenlastegelegde leidt tot vrijspraak; van de wettelijke delictsomschrijving tot ovar. In het model:
1. Is het tenlastegelegde bewezen? Zo niet: vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv).
CORRIGERENDE INTERPRETATIE TENLASTELEGGING
2. Is het bewezenverklaarde strafbaar? Dat wil zeggen:
a. Kan het bewezenverklaarde gekwalificeerd worden als strafbaar feit?
CORRIGERENDE INTERPRETATIE STRAFBEPALING
b. Is de strafbepaling geldig?
c. Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk?
RECHTVAARDIGINGSGRONDEN (omw, overmacht noodtoestand
(art. 40 Sr), verdragsrechtelijke)
Is het bewezenverklaarde niet strafbaar, dan volgt ovar (art. 352 lid 2 Sv).
3. Is de verdachte strafbaar, dat wil zeggen, was het feit hem te verwijten? Zo niet: ovar (art. 352 lid 2 Sv). SCHULDUITSLUITINGSGRONDEN (avas, psychische overmacht (art. 40 Sr))
4. Moet er een straf of maatregel worden opgelegd, en zo ja, welke? Eventueel kan gekozen worden voor een rechterlijk pardon (art. 9a Sr).
De rechter kan de tenlastelegging corrigerend interpreteren omdat deze is opgesteld met het oog op een strafbepaling en daarom de ten laste gelegde termen mogen worden verondersteld dezelfde betekenis te hebben als de woorden van de bepaling.17 Zuiverder lijkt mij echter corrigerende interpretatie van de strafbepaling bij de kwalificatievraag van het bewezenverklaarde. Terwijl de rechter door corrigerende interpretatie eigenlijk de strafbepaling uitlegt, heeft de bewijsvraag immers formeel nog niet van doen met de strafbepaling. In actuele jurisprudentie wordt dan ook niet zelden voor interpretatie bij de kwalificatievraag gekozen.
Bijvoorbeeld in het genoemde tweede Tongzoenarrest waarin de Hoge Raad het ‘seksueel binnendringen van het lichaam’ in artikel 242 Sr corrigerend interpreteerde.18
Ook het opzettelijk witwassen in artikel 420bis Sr werd corrigerend uitgelegd: ‘hij die een voorwerp verwerft [of] voorhanden heeft [...] terwijl hij weet dat het [...] – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf’. Voorwerpen uit een door verdachte zelf begaan misdrijf vallen weliswaar onder deze tekst, maar kunnen volgens de Hoge Raad toch niet worden gekwalificeerd.19 Dit vanwege de wetsgeschiedenis en om dubbele strafbaarheid te voorkomen wanneer diefstal automatisch witwassen oplevert. 20
En tevens werd artikel 240b Sr corrigerend uitgelegd.21 Het bepaalt dat degene strafbaar is die ‘een afbeelding […] van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, […] vervaardigt, [of] in bezit heeft’. Het hof had vervaardigen en bezit hieronder gebracht. Volgens de Hoge Raad was echter de bepaling gezien de wetsgeschiedenis ‘te ruim geredigeerd’, waardoor een feit volgens de wettekst strafbaar kan zijn terwijl de wetgever dat niet had gewild. Leidend zijn bij het oordeel hierover de concrete gedraging, de leeftijd van betrokkenen, hun instemming, en aanwijzingen dat de afbeelding (niet) verspreid zal worden. Volgens de wetsgeschiedenis kon kwalificatie bijvoorbeeld onwenselijk zijn bij instemming van een oudere minderjarige met het maken van afbeeldingen voor eigen gebruik.
Corrigerende interpretatie van de strafbepaling bij de kwalificatievraag leidt tot hetzelfde dictum als een uitzondering krachtens een strafuitsluitingsgrond. Dat past bij de vergelijkbaarheid van de beslissingen: het tekstueel toepasselijke rechtsgevolg strafbaarheid wordt niet aangenomen.
Een schrijver werd in een eerder besproken zaak vrijgesproken omdat de Hoge Raad ‘beledigend’ (in de tenlastegelegde artikelen 137c, 266 en 267 Sr) niet bewezen achtte, vooral vanwege de vrijheid van artistieke expressie afgeleid uit artikel 10 EVRM.22 Had hij het tenlastegelegde wel bewezen verklaard (hetgeen misschien meer in overeenstemming zou zijn met de normale betekenis van ‘beledigend’), maar het bewezenverklaarde niet gekwalificeerd als strafbaar feit – het feit is geen ‘belediging in de zin van de strafwet’ – dan was het dictum ovar geweest. Net als wanneer wel was gekwalificeerd, maar een uitzondering was gemaakt krachtens artikel 94 Gw juncto artikel 10 EVRM.
Een keuze voor corrigerende interpretatie of een uitzondering kan niet alleen gevolgen hebben voor het dictum, maar bepaalt volgens de literatuur ook of een feit wordt ‘gelegaliseerd’.23 Corrigerende interpretatie legaliseert omdat daardoor bepaalde feiten worden uitgesloten van het bereik van een strafbepaling. Door een uitzondering ‘wordt strafbaarheid behouden’. Alleen door interpretatie zouden bepaalde strafvorderlijke bevoegdheden niet meer kunnen worden uitgeoefend, omdat die alleen toepasbaar zijn bij strafbare feiten (zoals het binnentreden van woningen).24 Volgens mij is echter het verschil tussen de effecten van interpretatie en uitzonderingen kleiner: een uitzondering beperkt het bereik van een strafbepaling evenzeer als corrigerende interpretatie. Weliswaar worden uitzonderingen slechts in individuele gevallen gemaakt, maar vanwege rechtsgelijkheid plegen zij in latere vergelijkbare zaken te worden herhaald.25 Door een uitzondering in een individueel geval vanwege een rechtvaardigingsgrond ontbreekt ook de strafbaarheid in latere vergelijkbare gevallen. Ook daar bestaat geen verdenking meer van een strafbaar feit, waardoor een grondslag voor strafvorderlijke bevoegdheden ook dan ontbreekt.
Ondanks de vele mogelijkheden van corrigerende interpretatie is een uitzondering soms te verkiezen. Daarop wordt later ingegaan.26
b. Straftoemetingsvrijheid
Binnen het algemene kader van het strafrecht dat relevant is voor billijkheidsuitzonderingen heeft ook de wettelijke straftoemetingsvrijheid een plaats. De strafrechter is mogelijk terughoudender met uitzonderingen als hij ook via deze vrijheid een in zijn ogen juiste uitspraak kan doen.27 Door de straftoemetingsvrijheid neemt hij in elk geval de constitutionele eisen in acht, wat bij het buiten toepassing laten niet vanzelfsprekend is. Ook riskeert hij geen spanning met het legaliteitsbeginsel.
Door de straftoemetingsvrijheid kunnen alle omstandigheden van het individuele geval worden meegewogen bij het bepalen van de straf. De rechter is ten eerste vrij in de beslissing of hij een straf oplegt: artikel 9a Sr bepaalt dat de rechter ‘in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan’ geen straf of maatregel hoeft op te leggen (het rechterlijk pardon). Bij een strafoplegging kan gekozen worden voor een strafsoort: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf of geldboete (art. 9 lid 1 sub a Sr), en eventueel als bijkomende straf ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring of openbaarmaking van de uitspraak (sub b). De rechter kan ook de strafmaat kiezen: van het algemene wettelijke minimum (een gevangenisstraf van minimaal een dag, volgens art. 10 lid 2 Sr; een geldboete bedraagt minimaal € 3,-, art. 23 lid 2 Sr) tot het maximum dat volgt uit strafbepalingen.
De wetgever koos in 1886 voor de rechterlijke straftoemetingsvrijheid omdat de straf de schuld van de dader moet vereffenen en daarom proportioneel moet zijn.28 De afgelopen jaren heeft de politiek de vrijheid getracht te beperken,29 bijvoorbeeld door de invoering van het taakstrafverbod voor ernstige zeden- en geweldsdelicten30 en door het (later ingetrokken) wetsvoorstel met minimumstraffen bij recidive.31 Toch geldt de straftoemetingsvrijheid nog altijd als belangrijk principe van het Nederlandse strafrecht.32
De straftoemetingsvrijheid past als volgt in het rechterlijk beslissingsmodel:
Artikel 350 Sv, de materiële vragen:
1. Is het tenlastegelegde bewezen? Zo niet: vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv).
2. Is het bewezenverklaarde strafbaar? Dat wil zeggen:
a. Kan het bewezenverklaarde gekwalificeerd worden als strafbaar feit?
b. Is de strafbepaling geldig?
c. Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk?
Is het bewezenverklaarde niet strafbaar, dan volgt ovar (art. 352 lid 2 Sv).
3. Is de verdachte strafbaar, dat wil zeggen, was het feit hem te verwijten? Zo niet: ovar (art. 352 lid 2 Sv).
4. Moet er een straf of maatregel worden opgelegd, en zo ja, welke? Er kan gekozen worden voor een rechterlijk pardon (art. 9a Sr).
STRAFTOEMETINGSVRIJHEID
De rechter maakt bijvoorbeeld gebruik van de straftoemetingsvrijheid als de voorwaarden van een strafuitsluitingsgrond niet zijn vervuld, maar hij de omstandigheden van het geval wel reden vindt voor straffeloosheid (of een te verwaarlozen straf).
Voordat de Hoge Raad in de Veeartszaak voor het eerst een ongeschreven rechtvaardigingsgrond aanvaardde, had het hof, dat enkel wettelijke rechtvaardigingsgronden erkende, in die zaak veroordeeld tot een geldboete van slechts vijftig cent.33
Een psychiater die een patiënte met een ernstige depressie maar zonder (verdere) lichamelijke aandoeningen had geholpen bij zelfdoding en wiens beroep op noodtoestand werd verworpen, kreeg niettemin een rechterlijk pardon (art. 9a Sr).34
Het beroep op noodtoestand bij hennepteelt omdat medicinale hennep onvoldoende werkte tegen verdachtes ernstige chronische pijn en vervuild was, wees het hof weliswaar af (met instemming van de Hoge Raad) omdat niet aannemelijk was dat ‘verdachte verkeerde in een dusdanige toestand dat die een dergelijk beroep zou kunnen rechtvaardigen’, maar het legde geen straf of maatregel op.35
Er zijn ook uitspraken waarin zonder strafoplegging schuldig is verklaard aan hennepteelt voor (gedoogde) coffeeshops en aan bevoorrading daarvan, vanwege de problematische aspecten van het drugsbeleid.36 Zo veroordeelde een hof een verdachte weliswaar omdat er geen ‘hoge mate van maatschappelijke consensus is over de voorwaarden waaronder de hennepteelt gedoogd zou kunnen worden’, maar het betrok verdachtes verweer wel bij de straftoemeting: verdachte was ‘een principieel voorvechter […] van de legalisering dan wel de regulering van de teelt van hennep en [zag] geen andere mogelijkheden […] dan via rechterlijke uitspraken de door hem gewenste situatie te bewerkstelligen’; de feiten waren niet ‘op één lijn te stellen’ met hennepteelt in andere zaken, aangezien was geteeld in de open lucht met biologische middelen, er geen sprake was van brandgevaar of diefstal van elektriciteit en verdachte zich niet in het criminele circuit begaf; de door de verdachte geproduceerde wiet was ‘wat de voor de gezondheid schadelijke ef- fecten betreft, van betere kwaliteit dan de wiet die afkomstig is van de gebruikelijke hennepkwekerijen’; de verdachte leverde slechts aan een gedoogde coffeeshop; en hij teelde niet om er zelf rijker van te worden.37 Het hof paste artikel 9a Sr toe.
In dat laatste arrest wordt eigenlijk een rechterlijk pardon gegeven omdat (ook) de rechter het niet eens is met de strafbaarstelling van het feit. Die mogelijkheid geeft de straftoemetingsvrijheid. Ook als vanwege reeds in de strafbepaling verdisconteerde omstandigheden een uitzondering niet is toegestaan,38 kan de vrijheid ten volle worden benut.
Een rechterlijk pardon (of een veroordeling tot een zeer lage straf) is voor de verdachte nadeliger dan een ovar of een vrijspraak (door bijvoorbeeld een uitzondering). Zowel de verdachte als zijn omgeving ervaren een vrijspraak als positiever dan een veroordeling, hoe laag de straf ook is. Een veroordeling kan schade veroorzaken in alle facetten van het leven van een veroordeelde. Zo kan de vermelding hiervan in de justitiële documentatie leiden tot een weigering van een verklaring omtrent het gedrag en de loopbaan hinderen. Dit dient in bepaalde gevallen een argument voor de rechter te zijn om een uitzondering te maken ten voordele van de verdachte (of door interpretatie tot een vergelijkbare beslissing te komen), in plaats van de straftoemetingsvrijheid te gebruiken.
c. Het opportuniteitsbeginsel
Een derde reden voor de beperkte behoefte van strafrechters aan uitzonderingen is dat het OM veel gevallen waarin een veroordeling evident onbillijk zou zijn39 al in een vroeg stadium seponeert door het opportuniteitsbeginsel (art. 167 en 242 Sv).40 Het OM vervolgt in beginsel alleen als het van oordeel is dat het algemeen belang dat vordert.41 Deze vervolgingsbeslissing gaat aan het rechterlijk beslissingsmodel vooraf. In de literatuur worden gevallen waarin een vervolging evident onbillijk zou zijn betiteld als ‘flutzaken’: vervolgingen voor ‘feiten die evident niet de kern raken van de delictsomschrijving terzake waarvan de vervolging plaatsvindt (al blijken ze naar geldend recht wel als zodanig delict gekwalificeerd te kunnen worden) en die boven- dien geen ‘deuk in de rechtsorde’ teweeg brengen (of: waarvan de subsocialiteit grotendeels ontbreekt)’.42 Vervolgt het OM in dergelijke zaken wél, dan kan de rechter deze beslissing volgens de Hoge Raad corrigeren na een marginale toetsing aan beginselen van behoorlijke procesorde,43 zoals het vertrouwensbeginsel:44 als ‘door het OM gedane, of aan het OM toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd’.45 Hoge eisen worden gesteld.
Nadat zijn coffeeshops jarenlang waren gedoogd door OM, burgemeester en politie, werd de exploitant vervolgd voor bezit en verkoop van softdrugs en het verhullen van de opbrengst.46 Volgens de Hoge Raad was het OM ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard: ‘uitblijven van handhavend optreden [kan] in zijn algemeenheid niet op één lijn worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging’ waardoor vertrouwen van niet-vervolgen is gewekt. De opmerkingen van de politie waren niet concreet genoeg.
De rechter kan de vervolgingsbeslissing ook in strijd verklaren met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging:47 wanneer ‘geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn’.48 De vervolgingsbeslissing moet zodanig, apert onevenredig zijn dat de vervolging onverenigbaar is met ‘het verbod van willekeur’.49 Er gelden zware motiveringseisen.50 Het gaat bij uitstek om de genoemde ‘flutzaken’. De rechter mag niet de belangenafweging van het OM overdoen, maar mag slechts oordelen over willekeur.51
Een man werd vervolgd voor mishandeling toen zijn hond tijdens het uitlaten de hond van twee vrouwen had aangevallen.52 De vrouwen probeerden verdachtes hond af te weren met een stok, die in de buurt van die hond terechtkwam. Verdachte wierp de stok weg en raakte één van de vrouwen. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van ‘een deuk in de rechtsorde’. Het feit raakte niet de kern van de strafbepaling, partijen verklaarden verschillend, en de vrouwen waren niet vervolgd terwijl zij mogelijk medeschuldig waren. De zaak had voor verdachte ingrijpende gevolgen, en hij was niet eerder vervolgd. Gelet hierop ‘en [op] de geringe ernst van het ten laste gelegde feit [kon] geen sprake zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging en [had] het openbaar ministerie derhalve gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde’. De Hoge Raad casseerde vanwege de vereiste uitzonderlijkheid van dergelijke beslissingen, bijvoorbeeld als ‘geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn’. Het hof had daarom in ieder geval moeten meewegen waarom was vervolgd. Het moest ook motiveren waarom de redenen voor vervolging die individueel niet in strijd waren met het verbod van willekeur, dat gezamenlijk wél waren.53
Vervolging kan ook zozeer strijdig zijn met (andere) beginselen van een goede procesorde dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM gerechtvaardigd is.
Als voor het rijden onder invloed al de bestuurlijke maatregel van het alcoholslotprogramma is opgelegd (die later wordt besproken54), acht de Hoge Raad vervolging in strijd met een goede procesorde.55 Die beginselen ‘kunnen immers meebrengen [...] dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft’.56
In de literatuur is bepleit dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM vanwege zijn vervolgingsbeslissing in strijd kan zijn met artikel 11 Wet AB: als de rechter hierdoor de strafbaarstelling van bepaalde gedragingen beoordeelt.57 Dat lijkt mij niet juist. Door een niet-ontvankelijkverklaring wordt immers geen oordeel over de strafbaarheid uitgesproken, maar enkel geoordeeld dat een vervolging (voor een feit dat weliswaar strafbaar is) niet op haar plaats is.
De rechterlijke correctie van de vervolgingsbeslissing past als reden voor de beperkte behoefte van de strafrechter aan billijkheidsuitzonderingen als volgt in het beslissingsmodel:
Artikel 348 Sv, de formele vragen:
1. Is de dagvaarding geldig? Zo niet, dan is het dictum nietigheid van de dagvaarding (art. 349 lid 1 Sv).
2. Is de rechter bevoegd? Zo niet: onbevoegdheid van de rechter (art. 349 lid 1 Sv).
3. Is de officier van justitie ontvankelijk? Zo niet: niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie (art. 349 lid 1 Sv). RECHTERLIJKE CORRECTIE VAN VERVOLGINGSBESLISSING
4. Zijn er redenen voor schorsing van de vervolging? Zijn die er, dan wordt de vervolging geschorst (art. 349 lid 1 Sv).
d. Afsluitend over de methoden die de behoefte aan uitzonderingen beperken
De behoefte van de strafrechter aan billijkheidsuitzonderingen is beperkt omdat hij verschillende andere mogelijkheden heeft om evident onbillijke beslissingen door strikte toepassing van wetgeving te voorkomen. Deze liggen besloten in het strafrechtelijk systeem (de straftoemetingsvrijheid en het opportuniteitsbeginsel) en in zijn voorkeur voor een manier van rechtsvinding (de strafrechter interpreteert liever dan ongeschreven uitzonderingen te maken). Deze methoden zijn echter geen volwaardige alternatieven voor uitzonderingen. Een veroordeling, ook zonder of tot een lage straf, is schadelijker voor de veroordeelde dan een uitzondering met een vrijspraak of ovar. Vervolgingsbeslissingen, ten tweede, worden door het OM genomen en niet door de rechter. De rechter kan het OM weliswaar niet-ontvankelijk verklaren vanwege de vervolgingsbeslissing, maar daarvoor gelden strenge eisen, waardoor een uitzondering in dergelijke gevallen meer voor de hand kan lig- gen. Ten derde maakt ook interpretatie uitzonderingen niet overbodig. Een uitzondering heeft de voorkeur als een interpretatie gekunsteld is en/of niet overeenstemt met de bedoeling van de wetgever. Dat wordt later nader besproken.58