Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.5.1:8.3.5.1 Imperatieve gebruikmethode
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.5.1
8.3.5.1 Imperatieve gebruikmethode
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291712:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 februari 1993, nr. 28.910, BNB 1993/126, r.o. 3.4.
In gelijke zin: conclusie A-G Van Hilten 17 juni 2010, nr. 09/01485, V-N 2010/40.29, punt 5.8 en Van Norden, noot bij HR 10 januari 2014, nr. 09/01485, FED 2014/22.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Nederland geldt op grond van art. 15 lid 6 Wet OB jo. art. 11 lid 1, onderdeel c Uitv. besch. OB als uitgangspunt dat de btw op goederen of diensten die zowel voor belaste als vrijgestelde handelingen wordt gebruikt, moet worden gesplitst in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel op basis van de pro ratamethode. Dit uitgangspunt is conform art. 173 lid 1 Btw-richtlijn. Op grond van art. 11 lid 2 Uitv.besch. OB moet het aftrekbare gedeelte van de btw worden vastgesteld op basis van het werkelijke gebruik ‘indien aannemelijk is dat het werkelijk gebruik van de goederen en diensten als geheel genomen niet overeenkomt met het pro rata’. Uit deze bepaling volgt dat Nederland (uitsluitend) heeft gekozen voor de implementatie van de imperatieve gebruikmethode. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het een acte clair ‘dat (thans) art. 173 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn niet in de weg staat aan een regeling als die van art. 11 Uitv.besch. OB en zich met name niet verzet tegen een stelsel waarin de gebruikmethode slechts wordt toegepast in de gevallen – maar dan ook in beginsel in alle gevallen – waarin blijkt dat de pro ratamethode een met de werkelijkheid strijdig resultaat oplevert’.1 Dit oordeel acht ik juist (zie paragraaf 8.3.3.3.1).2