NJB 2025/2822
Voordeelsontneming en ‘vereenzelviging’ van de betrokkene (natuurlijke persoon) en de medeverdachte (rechtspersoon) in een geval waarin beide voor niet-ambtelijke omkoping zijn veroordeeld, art. 36e Sr: voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene en medeverdachte B.V. moeten worden vereenzelvigd – in die zin dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts) personen volledig moet worden weggedacht – geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de vaststellingen van het hof geen uitzonderlijke omstandigheden blijken die zo’n oordeel, dat verder strekt dan slechts de toerekening van het door medeverdachte B.V. ontvangen provisiebedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, kunnen dragen. Verder blijkt uit de vaststellingen door het hof niet of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat die provisie als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Ook zijn die vaststellingen onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van ‘gemeenschappelijk voordeel’ dat zowel aan de B.V. als aan de betrokkene, ieder voor het geheel, kan worden toegerekend. In een ontnemingsprocedure kan een cassatieklacht die is gericht tegen oordelen in de onderliggende strafzaak niet gelden als een cassatiemiddel in de wet bedoeld. Als cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak – hier: in de ontnemingszaak – heeft gewezen. In casu voldoet de klacht niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken blijft.
HR 02-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1818
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 december 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, F. Damsteegt
- Zaaknummer
23/03756 P
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1818, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1101, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑10‑2024
- Wetingang
(art. 36e Sr)
Essentie
Voordeelsontneming en ‘vereenzelviging’ van de betrokkene (natuurlijke persoon) en de medeverdachte (rechtspersoon) in een geval waarin beide voor niet-ambtelijke omkoping zijn veroordeeld, art. 36e Sr: voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene en medeverdachte B.V. moeten worden vereenzelvigd – in die zin dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts) personen volledig moet worden weggedacht – geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de vaststellingen van het hof geen uitzonderlijke omstandigheden blijken die zo’n oordeel, dat verder strekt dan slechts de toerekening van het door medeverdachte B.V. ontvangen provisiebedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.