HR, 08-02-2002, nr. C01/274HR
ECLI:NL:PHR:2002:AD7364
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-02-2002
- Zaaknummer
C01/274HR
- Conclusie
Mr. M.R. Mok
- LJN
AD7364
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2002:AD7364, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑02‑2002
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD7364
ECLI:NL:HR:2002:AD7364, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑02‑2002; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD7364
- Vindplaatsen
Conclusie 08‑02‑2002
Mr. M.R. Mok
Partij(en)
Nr. C 01/274
Mr. M.R. Mok
Zitting 30 november 2001
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder] (niet verschenen)
1.
Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te 's Hertogenbosch van 17 april 2001 waarin eiser van cassatie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank te Breda van 20 april 1999.
Eiser van cassatie is tijdig van deze uitspraak in cassatie gekomen(1).
2.
Het genoemde tussenvonnis van de rechtbank te Breda heeft een getuigenverhoor ingeleid en is dus een interlocutoir vonnis(2).
Uit art. 337, leden 1 en 2, Rv. volgt dat tegen zo'n vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, tenzij de rechter tussentijds hoger beroep heeft uitgesloten. In dat geval moet de partij die appel wil instellen wachten tot na het eindvonnis.
3.
Het is anders als de rechter in het dictum van het tussenvonnis aan enig deel van het gevorderde een einde heeft gemaakt en dus ten dele sprake is van een eindvonnis.
Niettegenstaande de uitsluiting van hoger beroep moet dan binnen de gewone appeltermijn van art. 339, lid 1, Rv. hoger beroep worden ingesteld tegen het vonnis voor zover dat een eindvonnis is. In dat geval kan tegelijkertijd hoger beroep worden ingesteld tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis(3).
4.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep uitgesloten. Het dictum bevat géén beslissing waardoor het vonnis ten dele zou kunnen worden aangemerkt als eindvonnis. Daarom is er geen reden het verbod te doorbreken.
Dat de rechtsoverwegingen van het vonnis eindbeslissingen bevatten, maakt zulks niet anders(4). Omdat het middel daartoe enige aanleiding geeft, merk ik op dat de beslissing tot uitsluiting van het hoger beroep preparatoir van aard is, zodat daartegen slechts tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld(5).
5.
Het hof heeft eiser van cassatie dan ook op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel.
6.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser van cassatie in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Er was gedagvaard tegen 14 september 2001. De dagvaarding is niet tijdig ter rolle ingeschreven. Het binnen 14 dagen na de gemiste rechtsdag op 17 september 2001 uitgebrachte herstelexploit, waarin is gedagvaard tegen 28 september 2001, is dat wel. Daarmee is dit gebrek hersteld (vgl. o.m. HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 241, m.nt. W.H. Heemskerk).
2. Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen, (1998), nr. 88, p. 95-96 en nr. 129, p. 155-156.
3. Zie voor het laatste HR 7 december 1990, NJ 1992, 85, m.nt. H.J. Snijders en (m.b.t. beroep in cassatie) HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482. Vgl. voor het hoger beroep van tussenvonnissen Hugenholtz/Heemskerk a.w., nr. 177, p. 206-208 en Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 1-4 op art. 337 (Wedeven/Mollema).
4. Als vorige noot (BRv , losbl. aant. 3).
5. HR 25 maart 1988, NJ 1988, 727.
Uitspraak 08‑02‑2002
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
8 februari 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/274HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R.A. van der Hansz,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 15 juli 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd [verweerder], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan [eiser] te betalen ƒ 12.471,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade, door de Rechtbank ex aequo et bono vast te stellen op ƒ 5.000,-- of een zodanig bedrag als de Rechtbank juist zal achten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 april 1999 - voor zover in cassatie van belang - [eiser] opgedragen te bewijzen:
- -
dat door of namens [betrokkene A] een schikkingsvoorstel is gedaan in de procedure tussen [eiser] en deze [betrokkene A], waarbij [betrokkene A] heeft aangeboden de zaak te regelen tegen betaling aan hem van ƒ 3.500,-- alsmede;
- -
dat [verweerder] de aanvaarding van dit aanbod van deze [betrokkene A] aan [eiser] heeft afgeraden;
- -
bepaald dat van dit vonnis geen hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het eindvonnis.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 april 2001 heeft het Hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel tegen het tussenvonnis van de Rechtbank en de zaak ter verdere berechting teruggewezen naar de Rechtbank.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 februari 2002.